Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
19/959 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek kwijtschelding vorderingen ingevolge Bbz 2004. Geen dringende redenen. Niet voldaan criteria beleidsregels. Appellanten hebben ten aanzien van vordering 1 niet aannemelijk gemaakt dat zij geen aflossingscapaciteit hadden en/of dat zij niet op enig moment betalingen zullen kunnen verrichten. In redelijkheid heeft het college kunnen oordelen dat de door appellanten aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen vormen om van verdere terugvordering af te zien als bedoeld in de beleidsregels. Ten aanzien van vordering 2 staat vast dat geen sprake is van de in de Beleidsregels genoemde situatie. Er is dan ook niet voldaan aan de voorwaarden van het toepasselijke beleid zodat reeds op die grond het verzoek om kwijtschelding niet voor inwilliging in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 959 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 8 juni 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 februari 2019, 18/2431 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2021. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H.M. Piters.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 1 april 2010 algemene bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004) in de vorm van een renteloze geldlening. Met ingang van 23 november 2012 hebben appellanten hun werkzaamheden als zelfstandigen beëindigd.

1.2.

Bij besluit van 22 februari 2013 (besluit 1) heeft het college, met toepassing van artikel 12, tweede lid, onderdeel c, van het Bbz 2004, het recht op bijstand van appellanten over 2011 definitief vastgesteld en onder meer van de als geldlening verstrekte bijstand een bedrag van € 4.120,99 van appellanten teruggevorderd (vordering 1). Dit besluit is met de uitspraak van 16 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4244, in rechte komen vast te staan.

1.3.

Bij besluit van 11 oktober 2013 (besluit 2) heeft het college, met toepassing van artikel 12, tweede lid, onderdeel c, van het Bbz 2004, het recht op bijstand van appellanten over 2012 definitief vastgesteld en onder meer van de als geldlening verstrekte bijstand een bedrag van € 3.656,82 van appellanten teruggevorderd (vordering 2). Dit besluit is met de uitspraak van 31 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2303, in rechte komen vast te staan.

1.4.

Appellanten hebben op 19 maart 2018 verzocht om kwijtschelding van de vorderingen 1 en 2 van in totaal € 7.777,81.

1.5.

Bij besluit van 18 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 augustus 2018 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek om kwijtschelding afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van dringende redenen om de vorderingen kwijt te schelden. Evenmin wordt voldaan aan de criteria voor kwijtschelding van de Beleidsregels inzake terugvordering Wet werk en bijstand Gemeente Kerkrade 2004 (Beleidsregels 2004) en de Beleidsregels terug- en invordering, boete en verhaal gemeente Kerkrade 2018 (Beleidsregels 2018).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of de afwijzing van het verzoek tot kwijtschelding van de vorderingen ingevolge het Bbz 2004 in overeenstemming is met de Beleidsregels 2004 en de Beleidsregels 2018 dan wel of de besluitvorming om formele redenen geen stand kan houden.

4.2.1.

Het Bbz 2004 vindt zijn grondslag in artikel 78f van de Participatiewet (PW). Artikel 44, eerste lid, van het Bbz 2004, zoals dit artikel ten tijde in geding gold en voor zover van belang, bepaalt dat bij de toepassing van artikel 58 van de PW kosten van bijstand door het college worden teruggevorderd met toepassing van artikel 12, tweede lid, onderdeel c, van het Bbz 2004

4.2.2.

Artikel 58, tweede lid, van de PW bepaalt dat het college de gemaakte kosten van bijstand kan terugvorderen. Hierbij gaat het, anders dan bij terugvordering vanwege schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in het eerste lid, om een discretionaire bevoegdheid. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5512) moet de bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering, dus om (het restant van) de vordering kwijt te schelden, hierin besloten worden geacht.

4.3.1.

Appellanten voeren allereerst aan dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis toekent aan de verrekening van de verbeurde dwangsom. Door daarmee geen rekening te houden, is de hoogte van de vorderingen in het bestreden besluit onjuist vermeld.

4.3.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bestreden besluit geen betrekking heeft op de hoogte van de vorderingen, maar op het verzoek tot kwijtschelding van de vorderingen. De hoogte van de vorderingen is in rechte komen vast te staan met de onder 1.2 en 1.3 genoemde uitspraken van de Raad en ligt daarom niet ter beoordeling voor. De vermelding van een mogelijk onjuist bedrag van het restant van de vorderingen in besluit 1 en 2, kan dan ook niet meebrengen dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

4.4.

Ter invulling van de bevoegdheid van het college tot kwijtschelding van vorderingen, waaronder Bbz-vorderingen, heeft het college de in 1.5 genoemde beleidsregels vastgesteld.

Vordering 1

4.5.1.

Artikel 8, tweede lid van de Beleidsregels 2004 bepaalt dat, indien daartoe volgens het college van burgemeester en wethouders dringende redenen aanwezig zijn, kan worden besloten geheel of gedeeltelijk af te zien van (verdere) terugvordering.

Het derde lid, onder ten eerste, van dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders op verzoek van een debiteur kunnen besluiten gedeeltelijk van (verdere) terugvordering af te zien, indien redelijkerwijs te voorzien is dat de debiteur niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

Het achtste lid van dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders voorts, indien binnen een periode van vijf jaar na de terugvorderingsbeschikking of na de laatste betaling, ondanks voldoende inspanningen, geen enkele betaling inzake de terugvordering is ontvangen, en hen bovendien uit niets blijkt dat in de toekomst nog betalingen te verwachten zijn, tevens kunnen besluiten af te zien van (verdere) terug- of invordering indien zij van mening zijn dat dit dient te leiden tot het afzien van (verdere) terugvordering.

Vordering 2

4.5.2.

Artikel 8, eerste lid van de Beleidsregels 2018, voor zover van belang, bepaalt dat het college besluit van (verdere) invordering af te zien en over te gaan tot kwijtschelding indien:

a. gedurende tien jaar volledig vrijwillig aan de betalingsverplichtingen is voldaan;

b. gedurende tien jaar niet volledig aan de betalingsverplichtingen is voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde incassokosten, alsnog is betaald;

c. gedurende tien jaar geen betalingen zijn verricht en niet aannemelijk is dat deze op enig moment verricht zullen gaan worden; of

d. belanghebbende een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom, in één keer aflost.

Het tweede lid bepaalt dat besluiten tot afzien van verdere terugvorderingen individueel worden beoordeeld en dat bij deze beoordeling in ieder geval worden meegewogen: a. de ontstaansgrond van de vordering, b. de regelmaat van aflossing, c. de aflossingstermijn in relatie tot de financiële draagkracht, d. het reeds afgeloste bedrag in relatie tot de hoofdsom, e. niet financiële omstandigheden van belanghebbende en f. de relatie tot handhaving.

Het derde lid bepaalt dat ten aanzien van terugvorderingsbesluiten van vóór 1 maart 2013 het oude regime geldt.

4.6.

Niet in geschil is dat op vordering 1 de Beleidsregels 2004 en op vordering 2 de Beleidsregels 2018 van toepassing zijn. De Raad acht dat ook rechtens juist.

4.7.

Appellanten voeren - samengevat - aan dat zij geen aflossingscapaciteit hadden en hebben en dat zij gezien hun leeftijd en de ontwikkelingsstoornis van appellant niet in staat zijn om in de toekomst nog enig inkomen te verwerven. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met hun voorgeschiedenis, hun psychische en fysieke beperkingen, hun leeftijd en de arbeidsmarkt. Appellanten bevinden zich in een uitzichtloze situatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.8.

Wat betreft vordering 1 heeft het college - onweersproken - gesteld dat aan appellanten jarenlang uitstel van betaling is verleend wegens de diverse procedures die over de vordering zijn gevoerd en dat appellanten bijstand naar de gehuwdennorm ontvingen en derhalve een uitkering genoten die hoger was dan de beslagvrije voet. Het betoog van appellanten dat zij geen aflossingscapaciteit hadden, heeft het college gemotiveerd weersproken door aan te voeren dat de draagkracht van appellanten gedurende de opschorting van de betalingsverplichting nooit is vastgesteld. Pas in het kader van een heronderzoek is bij besluit van 11 december 2018, dus na besluit 1, vastgesteld dat appellanten geen aflossingscapaciteit hebben, omdat zij per 1 november 2018 bijstand ontvangen met toepassing van de kostendelersnorm. Gelet hierop was geen sprake van een van de in artikel 8, derde of achtste lid, van de Beleidsregels 2004 genoemde situaties. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij, gezien hun leeftijd en gestelde psychische klachten, niet op enig moment betalingen zullen kunnen verrichten. Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellanten sinds 1 januari 2021 via verrekening op de vordering aflossen. Het college heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen oordelen dat in de door appellanten aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen om van verdere terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Beleidsregels 2004, zijn gelegen. Dit betekent dat het standpunt van het college dat appellanten niet voldoen aan de in de Beleidsregels 2004 genoemde voorwaarden, als vermeld onder 4.5.1, om vordering 1 kwijt te schelden juist is.

4.9.

Wat betreft vordering 2 staat vast dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van een van de in artikel 8, eerste lid, van de Beleidsregels 2018 genoemde situaties. Sinds besluit 2 zijn namelijk geen tien jaren verstreken. Bovendien staat vast dat appellanten niet een bedrag van 50% van de vordering ineens hebben afgelost. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat aan de voorwaarden voor kwijtschelding van de Beleidsregels 2018 niet was voldaan en dat het verzoek van appellanten om kwijtschelding van vordering 2 reeds op die grond niet voor inwilliging in aanmerking komt.

4.10.

Ten slotte wordt - voor dit geding ten overvloede - nog opgemerkt dat de in de Beleidsregels 2018 genoemde termijn van tien jaar over twee jaar verstrijkt. Appellanten kunnen als de Beleidsregels 2018 ongewijzigd van kracht zijn, alsdan opnieuw een verzoek om kwijtschelding bij het college indienen, waarbij het college, indien voldaan wordt aan de voorwaarden van het eerste lid van artikel 8 van de Beleidsregels 2018, dan op grond van het tweede lid van dit artikel dient te beoordelen of de individuele omstandigheden van appellanten aanleiding geven om tot kwijtschelding van vordering 2 over te gaan.

4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2021.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) B. Beerens