Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
19/5049 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:9271, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beƫindigd. Het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. De beroepsgrond van appellant dat het UWV te weinig rekening heeft gehouden met zijn verslavingsproblematiek slaagt niet. Voor het aannemen van aanvullende beperkingen in verband met de verslavingsproblematiek heeft de verzekeringsarts terecht geen aanknopingspunten gezien. Voldoende gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5049 ZW

Datum uitspraak: 3 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

29 november 2019, 19/370 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Berkouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 22 april 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berkouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als uitkeringsdeskundige via een uitzendbureau. Op 3 juli 2017 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts in opleiding. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 juli 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, heeft vervolgens zes functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 78,65% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 23 juli 2018 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 24 augustus 2018 beƫindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

1.3.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullende beperkingen aangenomen in het persoonlijk functioneren en sociaal functioneren van appellant, alsmede voor werktijden, en de beperkingen neergelegd in een FML van 9 oktober 2018. Op basis van de FML van 9 oktober 2018 en na wijziging van de maatmanomvang en het maatmaninkomen heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vier van de eerder geselecteerde functies laten vervallen en vervangen door drie nieuwe functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 20,9%.

1.4.

Bij brief van 1 november 2018 heeft het Uwv appellant op de hoogte gesteld van het voornemen om het besluit van 23 juli 2018 te herzien. Appellant is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven op dit voorgenomen besluit van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt.

1.5.

Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 11 januari 2019 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 juli 2018 gegrond verklaard, dit besluit herroepen en vastgesteld dat appellant met ingang van 14 januari 2019 geen recht heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van zijn maatmaninkomen.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat verzekeringsartsen in beginsel op hun eigen oordeel mogen afgaan en gewezen op de uitspraak van 18 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4310. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellant juist heeft vastgesteld. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 9 oktober 2018 heeft geconcludeerd dat appellant is aangewezen op werk zonder veel storingen en onderbrekingen en dat appellant is aangewezen op werken in een deeltaak. Tevens heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullend rapport van 23 oktober 2019 inzichtelijk heeft gemotiveerd en heeft toegelicht waarom hij geen aanleiding ziet om zijn eerder ingenomen standpunt alsmede de FML van 9 oktober 2018 te wijzigen. Dat wat appellant in beroep heeft aangevoerd, legt volgens de rechtbank tegenover het gemotiveerde en inzichtelijke medische oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gewicht in de schaal om op grond daarvan verdergaande beperkingen aan te nemen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd waarom appellant de geselecteerde functies kan verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht bepaald dat appellant met ingang van 14 januari 2019 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn langdurige psychische klachten en verslavingsproblematiek. Appellant is van mening dat het Uwv onvoldoende acht heeft geslagen op de reeds overgelegde medische informatie. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer een brief van psycholoog Lansbergen van 5 april 2019, een onderzoeksrapportage van M. Smit, psycholoog en E. Fieggen, GZ-psycholoog van 5 oktober 2019, een behandelovereenkomst van

29 augustus 2019, een psychologische intake van 5 juni 2020 en diverse behandelplannen overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft naar aanleiding van de door appellant overgelegde medische stukken rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 oktober 2019 en 19 april 2021 ingediend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

Het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De verzekeringsarts in opleiding heeft het dossier bestudeerd, een anamnese afgenomen en een psychisch onderzoek verricht. Daarnaast heeft de verzekeringsarts in opleiding informatie bij de huisarts opgevraagd en in een aanvullend rapport toegelicht waarom de van de huisarts verkregen gegevens geen aanleiding geven voor een andere medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen van de verzekeringsarts in opleiding heroverwogen en daartoe het dossier bestudeerd en appellant gezien tijdens een spreekuur. Tevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door appellant overgelegde informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. Niet is gebleken dat de verzekeringsartsen op basis van de beschikbare medische informatie geen juist en volledig beeld hebben kunnen vormen van de medische situatie van appellant op de datum in geding. De overweging die de rechtbank aan het oordeel over de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek ten grondslag heeft gelegd, wordt onderschreven.

4.3.

Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is bekend met de angstklachten, depressieve klachten en stemmingsklachten van appellant. In verband met deze psychische problematiek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant beperkt geacht in zijn persoonlijk en sociaal functioneren en ten aanzien van werktijden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant aangewezen op werk zonder veel storingen of onderbrekingen en appellant beperkt bevonden voor deadlines en hoge productiepieken, het uiten van eigen emoties en voor conflicthantering. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat appellant niet goed in staat is om leiding te geven en moeilijk zijn grenzen aan kan geven, waardoor samenwerken in een deeltaak wordt geadviseerd. Uit de beschikbare medische informatie is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische situatie van appellant met deze beperkingen heeft onderschat. Daartoe wordt overwogen dat in het onderzoeksrapport van psycholoog

E. Smit en GZ-psycholoog E. Fieggen van 28 januari 2019 melding wordt gemaakt van trekken van een vermijdende en dwangmatige persoonlijkheidsstoornis zonder dat sprake is van een echte persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 23 oktober 2019 gemotiveerd weergegeven dat in de FML in voldoende mate rekening is gehouden met de ongespecificeerde depressieve-stemmingsstoornis zoals vermeld in een brief van psycholoog F. van Lienden van 22 augustus 2018 en in een brief van psycholoog Y.A. Lansbergen van 5 april 2019. Voor het aannemen van aanvullende beperkingen in verband met de psychische problematiek van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarom terecht geen aanleiding gezien.

4.4.

De beroepsgrond van appellant dat het UWV te weinig rekening heeft gehouden met zijn verslavingsproblematiek slaagt niet. Uit vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3561) volgt dat een verslaving aan verdovende middelen en/of alcohol op zich niet als een ziekte (of gebrek) wordt aangemerkt. Dat is anders als de verslaving leidt tot objectiveerbare medische beperkingen of indien de verslaving noodzaakt tot een klinische opname of behandeling. Dat bij appellant al langere tijd sprake was van verslavingsproblematiek heeft het Uwv erkend. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben afdoende onderbouwd dat uit de beschikbare medische stukken niet is komen vast te staan dat appellant op grond van objectiveerbare medische klachten zwaarder beperkt moet worden geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende aandacht besteed aan de psychische problematiek van appellant. Voor het aannemen van aanvullende beperkingen in verband met de verslavingsproblematiek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht geen aanknopingspunten gezien.

4.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 23 oktober 2019 en

19 april 2021 voldoende gemotiveerd dat de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken geen nieuwe informatie bevatten over de medische situatie van appellant op de datum in geding. Deze gegevens leiden daarom niet tot een andere oordeel.

4.6.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst wordt het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade in de vorm van de wettelijke rente afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2021.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) B.V.K. de Louw