Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1348

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
19/3015 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van het besluit, waarin is vastgesteld dat betrokkene per 20 april 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, terecht afgewezen. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat betrokkene aan haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3015 ZW

Datum uitspraak: 3 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 mei 2019, 19/122 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven en of rechtverkrijgenden van [betrokkene] laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Aslan heeft medegedeeld dat betrokkene op [sterfdatum] 2020 is overleden en dat appellanten de procedure willen voortzetten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2021. Namens appellanten zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door mr. Aslan en een tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerkster in een vleesverwerkingsbedrijf voor gemiddeld 38 uur per week. Betrokkene heeft zich op

30 december 2014 ziek gemeld met rugklachten en psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 16 april 2015 vastgesteld dat betrokkene per 20 april 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Volgens het Uwv was betrokkene geschikt voor de arbeid in de functie van productiemedewerkster in een vleesverwerkingsbedrijf. Dit besluit is gebaseerd op een onderzoek van een verzekeringsarts die zijn bevindingen heeft weergegeven in een rapport van 16 april 2015. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 23 juni 2015 ongegrond verklaard.

Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 juni 2015 ten grondslag. De Raad heeft in hoger beroep dit besluit in stand gelaten (zie de uitspraak van 7 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2031). Het besluit van 16 april 2015 staat hierdoor in rechte vast.

1.3.

Bij brief van 18 mei 2018 heeft betrokkene het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 16 april 2015. Daarbij heeft betrokkene, onder verwijzing naar een brief van 8 december 2017 van huisarts C.E. Kistemaker, gesteld dat de in oktober 2016 gestelde diagnose van baarmoederkanker ook betrekking heeft op 20 april 2015.

1.4.

Bij besluit van 20 juli 2018 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 16 april 2015, omdat na onderzoek door een verzekeringsarts is gebleken dat er geen nieuwe medische feiten bekend zijn geworden die, indien ze destijds bekend waren geweest, tot een ander oordeel hadden moeten leiden. Het bezwaar van betrokkene heeft het Uwv bij besluit van 27 november 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich, onder verwijzing naar een rapport van 23 november 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot herziening van het besluit van 16 april 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv het verzoek van betrokkene met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft mogen afwijzen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en evenmin sprake van een situatie dat het besluit evident onredelijk is. De diagnose die in oktober 2016 is gesteld, ziet niet op de datum in geding. In dit verband heeft de rechtbank van belang geacht dat de Raad in de uitspraak van 7 juni 2017 al geoordeeld heeft dat uit het gegeven dat in oktober 2016 baarmoederkanker is vastgesteld, niet kan worden afgeleid dat betrokkene daarvan al in april 2015 beperkingen ondervond. Ook de informatie over de overige klachten van betrokkene vormt geen novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Het betreft geen informatie die betrokkene niet eerder had kunnen overleggen. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er in het rapport van 21 maart 2019 naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat deze klachten bekend waren en bij de eerdere beoordeling zijn meegewogen.

3.1.

Appellanten hebben in hoger beroep de stelling herhaald dat de op 16 april 2015 afgegeven hersteldmelding per 20 april 2015 geen stand kan houden. Appellanten hebben aangevoerd dat het Uwv het verzoek op inhoudelijke gronden heeft afgewezen. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten de inhoudelijke beroepsgronden te beoordelen. Appellanten hebben deze inhoudelijke beroepsgronden daarom in hoger beroep herhaald. Volgens appellanten was de Raad ten tijde van de uitspraak in 2017 slechts op de hoogte van de diagnose baarmoederkanker maar was de Raad niet bekend met de in deze procedure overgelegde medische informatie van de huisarts. Appellanten zijn van mening dat uit deze informatie van de huisarts duidelijk wordt dat het zeer goed mogelijk is dat als er vóór eind 2016 uitgebreid onderzoek was gedaan naar haar klachten de diagnose baarmoederkanker destijds al was gesteld. Met deze informatie is er voldoende reden om haar het voordeel van de twijfel te geven.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij is aan de hand van stukken aangevoerd dat de Raad in 2017 bekend was met de medische informatie van de huisarts.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geding is de afwijzing van het verzoek van betrokkene om terug te komen van het besluit van 16 april 2015, waarin is vastgesteld dat betrokkene per 20 april 2015 geen recht

meer heeft op ziekengeld.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het Uwv dit verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft afgewezen. Hierbij wordt doorslaggevend geacht dat het Uwv het bestreden besluit heeft gebaseerd op de grondslag dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het besluit van 16 april 2015 onjuist zou zijn. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtszoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

Wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, vormt een herhaling van wat in beroep naar voren is gebracht. Er wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. De overwegingen die door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag zijn gelegd worden onderschreven. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat betrokkene aan haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd. De door betrokkene ingebrachte medische informatie verschaft geen ander inzicht over haar medische situatie en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten tijde van beëindiging van de ZW-uitkering van betrokkene met ingang van 20 april 2015. Daarbij heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat de Raad in de uitspraak van 7 juni 2017 al geoordeeld heeft dat uit het gegeven dat in oktober 2016 baarmoederkanker is vastgesteld, niet kan worden afgeleid dat betrokkene daarvan al in april 2015 beperkingen ondervond. In wat appellanten hebben aangevoerd wordt, gelet op de voorhanden gegevens, evenmin aanleiding gezien om te oordelen dat de weigering om terug te komen van het besluit van 16 april 2015 evident onredelijk is.

4.5.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2021.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) L. Winters