Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
19/276 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:9911, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate van arbeidsongeschiktheid voor de WIA terecht vastgesteld op 63,50%. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Evenmin bestaat reden tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts. Voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 276 WIA

Datum uitspraak: 3 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 december 2018, 18/1695 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Shaaban, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Shaaban. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als steigerbouwer voor gemiddeld 40,96 uur

per week. Op 11 november 2015 heeft appellant zich ziek gemeld met lichamelijke klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 augustus 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het

laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 12 september 2017 heeft het Uwv appellant met ingang van 8 november 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat hij met ingang van die datum 65,47% arbeidsongeschikt is.

1.2.

In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 23 januari 2018 voor appellant een nieuwe FML opgesteld. Aan de hand hiervan heeft de arbeidsdeskundige de functieselectie gewijzigd en geconcludeerd dat appellant op 8 november 2017 63,50% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 20 februari 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv op het bezwaar van appellant beslist en het besluit van 12 september 2017 herroepen. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 63,50% en de resterende verdiencapaciteit vastgesteld op € 931,77 per maand. Appellant is medegedeeld dat de wijziging van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage geen gevolgen heeft voor (de hoogte van) zijn uitkering.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond

verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is en dat er geen reden is om aan het medisch oordeel in deze zaak te twijfelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk gemotiveerd waarom geen reden is om verdergaande beperkingen te stellen. Het standpunt van appellant dat zijn belastbaarheid is onderschat is niet met medische stukken onderbouwd. De rechtbank heeft geen reden gezien om een deskundige te benoemen en de geselecteerde functies voor appellant geschikt geacht.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn klachten zijn onderschat. Daarbij verwijst hij naar zijn hartproblematiek en tintelingen die hij ervaart in zijn handen, armen en voeten. Deze tintelingen komen en gaan soms met heftige kramp, waardoor de hand van appellant verstijft. Appellant heeft deze klachten bij zijn huisarts benoemd en appellant is naar een neuroloog verwezen. Er is geen verklaring voor de klachten gevonden. De klachten zijn er wel en appellant acht zich hierdoor ongeschikt om functies te vervullen die fijne motoriek vereisen. Verder is appellant snel moe, voelt hij zich krachteloos en ervaart hij andere klachten. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de klachten niet medisch zijn onderbouwd. Appellant acht de voor hem geselecteerde functies niet geschikt.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 8 november 2017 heeft vastgesteld op 63,50%.

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Evenmin bestaat reden tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts heeft de FML wat betreft de beperkingen als gevolg van de hartklachten van appellant onderschreven. Wel heeft hij appellant aanvullend beperkt geacht in verband met de door de psycholoog genoemde PTSS klachten. Anders dan appellant wordt geen reden gezien om voor hem verdergaande beperkingen aan te nemen vanwege klachten aan hand, arm en voeten. Voor deze klachten is namelijk geen medische verklaring gevonden, zoals ook blijkt uit de brief van de cardioloog B. Limer van 15 mei 2017 en zoals ook door appellant zelf is verklaard tijdens het spreekuur van de primaire arts. De stelling van appellant dat deze klachten ook al in eerdere rapporten van de verzekeringsartsen zijn benoemd, leidt niet tot het door hem gewenste resultaat. Daarbij wordt volstaan met de constatering dat uit geen enkele eerdere medische beoordeling blijkt dat voor deze klachten beperkingen zijn aangenomen. Ook overigens treffen de stellingen van appellant geen doel. Evenals de rechtbank wordt hierbij van belang geacht dat appellant geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn beperkingen zijn onderschat.

4.4.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Het standpunt van appellant dat de functie medior soldering operator niet geschikt is door de beperking in de FML in de rubriek 1.9.8 (werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is) wordt niet gevolgd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft er in het rapport van 9 mei 2018 terecht op gewezen dat uit de informatie in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) blijkt dat in deze functie een hoog handelingstempo niet voorkomt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van de in het CBBS opgenomen gegevens (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6390). In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor twijfel. Voorts zijn voor het gebruik van de handen geen beperkingen gesteld, zodat van een overschrijding van de belastbaarheid om die reden geen sprake is. Appellant heeft ook aangevoerd dat hij niet geschikt is voor de functie van huishoudelijk medewerker (SBC-code 372060) door de beperking in de FML in de rubriek 2.6 (emotionele problemen van anderen hanteren), omdat in deze functie veelvuldig contact met bewoners plaatsvindt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft in het rapport van 26 februari 2019 overtuigend onderbouwd dat deze beperking niet betekent dat deze functie om die reden voor appellant ongeschikt is. Uit de functieomschrijving blijkt dat in deze functie gesprekken over dagelijkse onderwerpen moeten worden gevoerd, te vergelijken met de situatie in de openbare ruimte. Er zijn geen beperkingen in de FML van 23 januari 2018 opgenomen die ertoe leiden dat dergelijke gesprekken voor hem te belastend zijn.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2021.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) L. Winters