Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1341

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
18/1087 JW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoekers hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 11 januari 2018, 17/114 en 17/116. Verzoekers en het college hebben overeenstemming bereikt over wat hen verdeeld houdt en daartoe een schikking getroffen. Verzoekers hebben de Raad verzocht om uitspraak te doen op het verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is in beide zaken met één jaar en bijna drie maanden overschreden. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van de bezwaarschriften bijna tien maanden geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn met afgerond vier maanden is overschreden. Verder is de redelijke termijn in de rechtelijke fase overschreden, nu deze meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening van het college onderscheidenlijk van de Staat komt, wordt de methode gevolgd die uiteengezet is in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Aanleiding bestaat om het college en de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoekers die zij in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1087 JW-PV, 18/1088 JW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] te [woonplaats] (verzoekers)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 4 mei 2021

Zitting heeft: J. Brand, als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: R.H. Koopman

Partijen zijn niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    veroordeelt het college tot betaling aan elk van verzoekers van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 400,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan elk van verzoekers van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.100,-;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 133,50;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 133,50.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Verzoekers hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 11 januari 2018, 17/114 en 17/116. Verzoekers en het college hebben overeenstemming bereikt over wat hen verdeeld houdt en daartoe een schikking getroffen. Verzoekers hebben de Raad verzocht om uitspraak te doen op het verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. De zaak is verwezen naar de enkelvoudige kamer.

2. In geding is nog slechts het verzoek om vergoeding van schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hierover wordt als volgt overwogen.

3. Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoekers gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van verzoekers.

4. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

5. In het voorliggende geval geldt dat vanaf de ontvangst van de bezwaarschriften door het college op 10 februari 2016 tot de datum van deze uitspraak inmiddels vijf jaar en bijna drie maanden zijn verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedures op meer dan vier jaar te stellen. De redelijke termijn is dan ook in beide zaken met één jaar en bijna drie maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van (drie maal € 500,-) in totaal € 1.500,- voor elk van verzoekers.

6. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van de bezwaarschriften bijna tien maanden geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn met afgerond vier maanden is overschreden. Verder is de redelijke termijn in de rechtelijke fase overschreden, nu deze meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening van het college onderscheidenlijk van de Staat komt, wordt de methode gevolgd die uiteengezet is in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan elk van verzoekers tot een bedrag van € 400,- (4/15 deel van € 1.500,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan elk van verzoekers tot een bedrag van € 1.100 (11/15 deel van € 1.500,-).

7. Aanleiding bestaat om het college en de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoekers die zij in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 267,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 534,- en met wegingsfactor 0,5). De Raad gaat er daarbij vanuit dat de zaken samenhangende zaken zijn, als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het totaalbedrag aan proceskosten van € 267,- komt in gelijke delen ten laste van het college en de Staat.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is

verhinderd te ondertekenen. (getekend) J. Brand

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep