Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1325

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
19/4424 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De omstandigheid dat de optionele behandeling, achteraf gezien, niet van start is gegaan, brengt niet mee dat de verwachting van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor de in geding van belang zijnde datum onjuist is. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog opgemerkt dat ook bij taalbarrières uitstekende en afdoende behandelmogelijkheden bestaan, wat door appellante niet is betwist. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft onderbouwd waarom appellante op de datum in geding niet als duurzaam volledig arbeidsongeschikt kan worden aangemerkt en heeft het beroep van appellante terecht ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4424 WIA

Datum uitspraak: 19 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 september 2019, 19/1005 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Türk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2021. Namens appellante is mr. Türk verschenen. Het Uwv heeft zich via een telefoonverbinding laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam in dienst van [naam werkgever] als montagemedewerkster voor twintig uur per week. Op 2 januari 2014 is zij uitgevallen met lichamelijke klachten. Later zijn ook psychische klachten ontstaan. Met ingang van 31 december 2015 heeft het Uwv aan appellante een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Na een herbeoordeling in november 2016 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellante ongewijzigd voortgezet en appellante onverminderd volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt geacht. Het beroep en hoger beroep van appellante hiertegen heeft niet tot een andere uitkomst geleid, zie de uitspraak van de Raad van 9 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1642. Met ingang van 30 november 2017 is de loongerelateerde uitkering omgezet in een loonaanvullingsuitkering.

1.2.

Op 21 maart 2018 heeft appellante het Uwv verzocht om een herbeoordeling wegens verslechtering van haar gezondheid. Zij heeft gesteld per 8 maart 2018 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een brief van haar behandelend psychiater dr. S. Dogan van 8 maart 2018 bijgevoegd. De verzekeringsarts heeft appellante op het spreekuur onderzocht en medische informatie van de huisarts van appellante en van psychiater Dogan van 9 augustus 2018 ontvangen. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante nog steeds ten gevolge van ziekte geen benutbare mogelijkheden heeft, maar dat nog geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen. Bij besluit van 22 augustus 2018 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante niet gewijzigd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 29 juni 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van 28 januari 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat de verzekeringsartsen op basis van de beschikbare medische informatie voldoende inzichtelijk hebben gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid van appellante bij adequate behandeling mogelijk al in het eerste jaar, maar zeker binnen twee jaar te verwachten is. Appellante heeft geen medische stukken overgelegd waaruit volgt dat haar behandelmogelijkheden verkeerd zijn ingeschat of dat deze prognose onjuist is. Dat appellante tegen de behandelingen opziet vanwege de reisafstand, de zorg voor haar kinderen en een taalbarrière heeft de rechtbank begrijpelijk geacht, maar overwogen dat dat niet wegneemt dat er een behandelmogelijkheid is die theoretisch tot een verbetering van de belastbaarheid kan leiden. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv voldoende heeft onderbouwd waarom appellante niet als duurzaam volledig arbeidsongeschikt kan worden aangemerkt.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat zij met ingang van 8 maart 2018 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Zij heeft brieven van psychiater Dogan van 25 september 2018 en 16 mei 2019 ingebracht. Volgens appellante valt uit de brief van 16 mei 2019, waarin staat dat de behandeling van appellante wordt overgeschakeld van cure op care, af te leiden dat ook op de datum in geding geen behandelopties waren. Als psychiater Dogan op dat moment al overleg had gevoerd met tertiair centrum SOLK (GGZ Atrecht/GGZ Breburg), was toen al duidelijk geworden dat geen behandeling mogelijk is. De hardnekkige klachten van appellante zijn hetzelfde gebleven waardoor stabilisatie is mislukt en er geen behandelmogelijkheden waren. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd dat de functionele mogelijkheden op de datum in geding konden toenemen. Een verwijzing naar een tertiair centrum was ook geen optie, omdat appellante de Nederlandse taal slecht beheerst en zij niet in staat is om lange afstanden te reizen vanwege angststoornissen. Appellante bestrijdt dat zij geen intrinsieke motivatie heeft om behandelingen te volgen of om te genezen. Zij heeft vanwege haar klachten al vier jaar Turkije niet kunnen bezoeken, ook niet voor de begrafenis van haar moeder, en zij heeft geen financieel belang bij een IVA-uitkering, omdat ook deze moet worden aangevuld met een toeslag tot het sociaal minimum. Haar belang is gelegen in het niet meer gekeurd hoeven te worden door het Uwv.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. In een rapport van 10 februari 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat geen aanleiding bestaat om de arbeidsongeschiktheid op de datum in geding als duurzaam aan te merken, omdat voor somatoforme pijnstoornissen uitstekende en afdoende behandelmethoden bestaan, ook bij een taalbarrière. De brief van 16 mei 2019 van psychiater Dogan, waarin is vermeld dat de behandeling van cure naar care is gegaan, is van na de datum in geding. Uit de eerdere brieven van psychiater Dogan blijkt dat op de datum in geding wel behandelopties zijn. Het wel of niet moeten betalen van een IVA-uitkering door het Uwv speelt geen rol bij de beoordeling door de verzekeringsartsen. Bij een herbeoordeling van appellante per 18 december 2019 heeft het Uwv de arbeidsongeschiktheid wederom niet als duurzaam aangemerkt.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding, 8 maart 2018, moet worden geacht ook duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat zij recht heeft op een IVA‑uitkering in plaats van een WGA-uitkering.

4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.3.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna, dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien de inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Uit de uitspraak van 16 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK7027, volgt dat bij een volledige heroverweging op grondslag van het bezwaar de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie moet meewegen voor zover die betrekking heeft op de datum in geding. Latere ontwikkelingen die niet op de datum in geding waren te voorzien, bijvoorbeeld het alsnog ontstaan van duurzame arbeidsongeschiktheid, hoeft hij niet mee te wegen. De omstandigheid dat een behandeling, achteraf gezien, geen dan wel minder verbetering heeft gebracht dan op de datum in geding was te verwachten, brengt ook niet mee dat de verwachting van de verzekeringsarts voor de in geding van belang zijnde datum voor onjuist te houden.

4.4.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Appellante is op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest en de verzekeringsarts heeft de beschikbare medische informatie bestudeerd. Daarnaast heeft de verzekeringsarts nadere informatie opgevraagd bij de huisarts en bij psychiater Dogan. Uit deze informatie komt een duidelijk beeld naar voren over de aandoening, de behandeling en de behandelingsmogelijkheden.

4.5.

Psychiater Dogan heeft de diagnose gegeneraliseerde angstklachten secundair bij een somatoforme stoornis NAO vastgesteld. Uit de informatie van Dogan uit 2018 blijkt dat de geïndiceerde behandeling toen bestond uit farmacotherapie en psychotherapie gericht op behandeling pijnklachten en somatoforme stoornis. Binnen de GGZ konden volgens Dogan in deeltijd psychotherapie gericht op Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK) en een farmacotherapeutische behandeling worden aangeboden. Ook een mogelijke klinische opname voor diagnostiek en stabilisatie was volgens hem een mogelijke interventie die de impasse zou kunnen doorbreken. Omdat stabilisatie dan wel curatie van de klachten van appellante niet echt succesvol was geweest, achtte hij doorverwijzing naar een specialistisch derde lijn centrum geïndiceerd. Dogan heeft aan appellante uitleg en advies gegeven voor verwijzing naar een tertiair SOLK centrum en ook de optie van een klinische opname voor diagnostiek en stabilisatie met haar besproken.

4.6.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van bovengenoemde informatie van de psychiater voldoende deugdelijk en inzichtelijk onderbouwd dat met de ingezette behandeling en de aangeboden behandelopties op de datum in geding een redelijke of goede verwachting was dat verbetering van de functionele mogelijkheden van appellante zal optreden. Dat psychiater Dogan in zijn brief van 16 mei 2019 over de voortgang van de behandeling heeft vermeld dat een verwijzing naar een tertiair centrum SOLK, na overleg met twee centra, geen optie is, omdat appellante de Nederlandse taal slecht beheerst en er geen mogelijkheid is voor psychotherapie, en dat de behandeling wordt overgeschakeld van cure op care, doet niet af aan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in 2018. Dat achteraf is gebleken dat is afgezien van een aanmelding bij een tertiair centrum gezien de taalbarrière die maakt dat feitelijke behandeling niet mogelijk zou zijn, was op de datum in geding niet te voorzien. De omstandigheid dat de optionele behandeling, achteraf gezien, niet van start is gegaan, brengt niet mee dat de verwachting van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor de in geding van belang zijnde datum onjuist is. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog opgemerkt dat ook bij taalbarrières uitstekende en afdoende behandelmogelijkheden bestaan, wat door appellante niet is betwist. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft onderbouwd waarom appellante op de datum in geding niet als duurzaam volledig arbeidsongeschikt kan worden aangemerkt en heeft het beroep van appellante terecht ongegrond verklaard.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2021.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) A.L. Abdoellakhan