Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1320

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
20/1165 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat geen reden bestaat de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. De overwegingen die aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Voorts wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies geschikt zijn voor appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onder verwijzing naar de medische gedingstukken beschreven wanneer appellant voornoemde medicatie heeft gebruikt en stelt dat er op grond van deze gegevens geen aanwijzing bestaat om aan te nemen dat appellant de medicatie ook op de datum in geding gebruikte. Dit betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er terecht geen beperking is aangenomen voor, naar de Raad begrijpt, item 1.9.9 van de FML. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen en de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Voor zover appellant stelt dat hij vanwege een alcoholprobleem geen auto kan besturen, wordt overwogen dat de in dit geding beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunt bieden voor de juistheid van deze stelling. Het door appellant in hoger beroep overgelegde rapport van Veilig Thuis van 28 februari 2020 vormt ook geen aanleiding voor twijfel aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Appellant heeft voorts zijn standpunt dat met een enkele verwijzing naar een in 2008 gepleegd delict het niet kunnen verkrijgen van een VOG een belemmering vormt voor de functie van consultatiebureau medewerker onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Gelet op de afdoende motivering door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met de rapporten van 15 mei 2019 en 27 mei 2019 en uitgaande van de juistheid van de FML van 10 mei 2019, wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat de geselecteerde functies geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding van 1 oktober 2018. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 1165 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 maart 2020, 19/2385 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 mei 2021

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, de gronden ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een schriftelijke vraagstelling van de Raad beantwoord.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 15 april 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 28 juni 2018 heeft het Uwv de WGA-loonaanvullingsuitkering op grond

van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van appellant per 1 oktober 2018 beëindigd en aan hem per die datum een WGA-vervolguitkering toegekend gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Omdat aan dit besluit geen medisch en arbeidskundig rapport ten grondslag lag, heeft op 17 januari 2019 een arts gerapporteerd en op 11 februari 2019 een arbeidsdeskundige. De arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 januari 2019. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 36,65%.

1.2.1.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2018 heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 mei 2019 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 mei 2019 en 27 mei 2019 ten grondslag gelegd.

1.2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 10 mei 2019 een herziene FML opgesteld waarin hij appellant ten opzichte van de eerdere FML van 17 januari 2019 aanvullend beperkt heeft geacht in de rubriek persoonlijk functioneren (items 1.9.2 en 1.9.5) en werktijden (items 6.1.1, 6.1.2 en 6.3.1) en geen beperkingen meer heeft opgenomen op de items 3.2.1 en 3.2.8 van de rubriek aanpassing aan fysieke omgevingseisen en op item 6.3.2 van de rubriek werktijden.

1.2.3.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat de vier eerder geselecteerde functies gelet op de gewijzigde FML niet geschikt zijn voor appellant. Hij heeft daarvoor in de plaats drie andere functies geselecteerd, waarvan één functie wel dezelfde SBC-code heeft als een functie die is vervallen. Uitgaande van de nieuw geselecteerde functies is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 69,43% en is vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheidsklasse in het kader van de WGA-vervolguitkering 65 tot 80% blijft.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De rechtbank acht het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en goed onderbouwd en is van oordeel dat kan worden uitgegaan van de belastbaarheid van appellant zoals die is neergelegd in de FML van 10 mei 2019. De rechtbank acht van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de in beroep ingezonden brieven van de huisarts van 10 juni 2019 en 19 augustus 2019 bij zijn beoordeling heeft betrokken. Volgens de verzekeringsarts gaat appellant niet adequaat om met spanningen als gevolg van externe factoren. De klachten zijn niet terug te voeren tot een onderliggende ziekte waardoor er geen reden is om meer beperkingen aan te nemen. Dat de huisarts een antidepressivum heeft voorgeschreven terwijl er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van een depressie, maakt dat volgens deze verzekeringsarts niet anders. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellant geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn agressiviteit en het niet kunnen omgaan met conflicten zijn te herleiden tot een ziekte of gebrek. Het standpunt van appellant dat dit is te herleiden tot een alcoholverslaving kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid uit het dossier en er zijn geen medische stukken die dit onderbouwen. Wat betreft de toegenomen jichtklachten heeft de rechtbank overwogen dat de toename volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dateert van na de datum in geding en dat dit op de zitting van de rechtbank ook door appellant is erkend.

2.3.1.

Wat betreft de geschiktheid van de geselecteerde functies heeft de rechtbank het standpunt van appellant dat de geselecteerde functie van assistent consultatiebureau (SBC-code: 372091) niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd omdat hij daarvoor een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) nodig heeft, verworpen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2551, dient in beginsel uitgegaan te worden van de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens.

2.3.2.

Het standpunt van appellant dat de functie van assistent consultatiebureau niet geschikt voor hem is omdat hij geen geduld heeft en agressief kan reageren op situaties met mensen, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet omdat appellant in de FML van 10 mei 2019 niet beperkt is geacht op de items 2.6 (emotionele problemen van anderen hanteren), 2.7 (eigen gevoelens uiten) of 2.8 (omgaan met conflicten).

2.3.3.

Wat betreft de geselecteerde functie van administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) wordt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep door de rechtbank gevolgd dat er geen reden is om te veronderstellen dat appellant deze functie niet zou kunnen vervullen. De rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gevolgd in zijn standpunt dat appellant de geselecteerde functie van besteller post/pakketten (auto) (SBC-code: 282102) kan verrichten omdat er in de FML geen beperking is opgenomen op item 1.9.9 (werk zonder verhoogd persoonlijk risico). Daarmee is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aangegeven dat er sprake is van een ziektebeeld waarbij een grotere kans bestaat op persoonlijk letsel en het gevaar voor persoonlijk risico betrekking heeft op de alertheid zoals bij het gebruik van bepaalde medicijnen of de kans op een verminderd bewustzijn.

2.3.5.

Ten slotte wijst de rechtbank erop dat de arbeidsdeskundige in bezwaar en beroep uitgebreid heeft gemotiveerd waarom de door hem geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant. De rechtbank volgt deze arbeidsdeskundige in de gegeven toelichtingen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Hij heeft in aanvulling daarop aangevoerd dat een VOG in alle regio’s van Nederland als eis wordt gesteld voor de functie van assistent consultatiebureau. Vanwege zijn criminele verleden zal appellant geen VOG krijgen. Daarnaast heeft appellant zowel een medewerker van het Uwv als zijn advocaat agressief bejegend en is hij onder invloed van alcohol en drugs verbaal agressief richting zijn kinderen, hun moeder en het netwerk. Ook om deze reden is de functie van assistent consultatiebureau volgens appellant niet geschikt voor hem. Verder is de functie van besteller post/pakketten (auto) niet geschikt omdat appellant vanwege moeheid soms niet in staat is een voertuig te besturen. Daarbij komt dat appellant vanwege zijn medicatiegebruik geen voertuig mag besturen en dat hij ook als gevolg van zijn drankprobleem hier niet toe in staat is. Tot slot voert appellant aan dat de geselecteerde functies ook vanwege zijn lichamelijke klachten niet geschikt voor hem zijn.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of de rechtbank juist heeft geoordeeld dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 1 oktober 2018 heeft vastgesteld op 69,43%.

4.3.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat geen reden bestaat de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. De overwegingen die aan dit oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Voorts wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies geschikt zijn voor appellant. Daaraan voegt de Raad nog het volgende toe.

4.4.

Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 maart 2021 (maar gedateerd op 18 februari 2021) blijkt dat het gebruik van de medicatie temazepam, tramadol en mirtazapine volgens deze verzekeringsarts invloed kan hebben op het kunnen besturen van een voertuig. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onder verwijzing naar de medische gedingstukken beschreven wanneer appellant voornoemde medicatie heeft gebruikt en stelt dat er op grond van deze gegevens geen aanwijzing bestaat om aan te nemen dat appellant de medicatie ook op de datum in geding gebruikte. Dit betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er terecht geen beperking is aangenomen voor, naar de Raad begrijpt, item 1.9.9 van de FML. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen en de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.5.

Voor zover appellant stelt dat hij vanwege een alcoholprobleem geen auto kan besturen, wordt overwogen dat de in dit geding beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunt bieden voor de juistheid van deze stelling. Zo staat in rapportages van (verzekerings)artsen van het Uwv van 2010, 2012, 2015, 2016 en 2019 dat er geen dan wel beperkt sprake is van alcoholgebruik. Daarnaast schrijft de behandelend reumatoloog van appellant in zijn rapporten van 30 mei 2016 en 3 juni 2016 dat appellant incidenteel tot twee eenheden bier per week drinkt.

4.6.

Het door appellant in hoger beroep overgelegde rapport van Veilig Thuis van 28 februari 2020 vormt ook geen aanleiding voor twijfel aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. In dit rapport staat dat er zorg is over de kinderen van appellant en als concrete onveiligheid wordt onder meer beschreven dat appellant onder invloed van alcohol niet beschikbaar is voor zijn kinderen en er onder invloed van alcohol en drugs sprake is van verbale agressie richting kinderen, moeder en netwerk. Op basis van het rapport kan niet de conclusie worden getrokken dat appellant op de datum in geding vanwege een alcoholprobleem niet in staat was een voertuig te besturen. Voor zover appellant met dit rapport beoogt te onderbouwen dat de functie van assistent consultatiebureau niet geschikt is omdat hij agressief is, wordt verwezen naar wat de rechtbank hierover heeft geoordeeld. Dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden geheel onderschreven.

4.7.

Appellant heeft voorts zijn standpunt dat met een enkele verwijzing naar een in 2008 gepleegd delict het niet kunnen verkrijgen van een VOG een belemmering vormt voor de functie van consultatiebureau medewerker onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.

4.8.

Appellant heeft tijdens de zitting van de Raad betoogt dat de geselecteerde functies ook vanwege zijn lichamelijke klachten niet geschikt voor hem zijn. De geschiktheid van de geselecteerde functies is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep reeds met de rapporten van 15 mei 2019 en 27 mei 2019 afdoende gemotiveerd. Gelet hierop en uitgaande van de juistheid van de FML van 10 mei 2019 wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat de geselecteerde functies geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding van 1 oktober 2018.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2021.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) L.R. Kokhuis