Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
19/2842 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd WIA-uitkering toe te kennen. Toetsing conform arrest Korošec. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Geen sprake van schending beginsel van equality of arms. Geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Voldoende gemotiveerd dat de geduide functies niet alleen in medisch opzicht, maar ook voor wat betreft de beheersing van de Nederlandse taal, voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2842 WIA

Datum uitspraak: 20 januari 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 juni 2019, 18/2303 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.E. Fleurkens hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 9 december 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.G.B. Bergenhenegouwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.F.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is sinds 1 januari 1980 onafgebroken bij dezelfde werkgever werkzaam geweest als operator voor 37,72 uur per week. Op 14 april 2016 heeft appellant zich ziek gemeld. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft hij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 maart 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 29 maart 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 12 april 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 28 augustus 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 27 juli 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 21 augustus 2018 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat hij zich met de aangevallen uitspraak niet kan verenigen, omdat hij ernstige beperkingen heeft ten gevolge van hartklachten, diabetes mellicus, gehoorproblemen, een te hoog cholesterol en een te hoge bloeddruk. Met een beroep op het arrest Korošec heeft appellant verzocht om een deskundige te benoemen. Tevens is appellant van mening dat er bij de geselecteerde functies onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. Ook heeft appellant naar voren gebracht dat hij de Nederlandse taal niet machtig is. Hij spreekt de taal amper en kan de taal niet lezen of schrijven, waardoor hij niet voldoet aan de in de geselecteerde functies gestelde eisen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 12 april 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.

4.2.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Het beroep van appellant op het arrest Korošec is aanleiding over het hoger beroep te oordelen overeenkomstig de in die uitspraak onderscheiden stappen.

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

In wat appellant heeft aangevoerd, zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft appellant op 13 februari 2018 op het spreekuur gezien en informatie bij de behandelend cardioloog opgevraagd en hierover inzichtelijk gerapporteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant op de hoorzitting gezien en de informatie van de huisarts en de overige behandelaren kenbaar bij de beoordeling betrokken. Gelet op het totaal van deze onderzoeksactiviteiten, bestaat er geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegevens heeft gemist.

Stap 2: equality of arms

Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om informatie in te brengen. Zoals hiervoor vermeld, zijn in het dossier recente gegevens aanwezig van zijn behandelend artsen, onder meer van de cardioloog, longarts en internist, die zien op de periode rond de datum in geding. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter uit het oogpunt van equality of arms gehouden zou zijn in een situatie waarin, zoals hier aan de orde, uitvoerige informatie van behandelaars aanwezig is, die naar zijn aard geschikt is om twijfel te zaaien aan de rapporten van de verzekeringsartsen en die door de verzekeringsartsen van het Uwv inzichtelijk bij hun beoordeling is betrokken, zodat deze door de rechter kan worden getoetst, een medisch deskundige te benoemen.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over zijn beperkingen, vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De overwegingen van de rechtbank hierover worden geheel onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie ingediend. Er is geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Voor benoeming van een onafhankelijke medisch deskundige bestaat ook op deze grond geen aanleiding.

4.3.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies niet alleen in medisch opzicht, maar ook voor wat betreft de beheersing van de Nederlandse taal, voor appellant geschikt zijn. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1509) kan ook iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans in staat worden geacht eenvoudige productiematige functies te vervullen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapporten van 26 februari 2019 en 4 juni 2019, na overleg met de arbeidskundig analist, toegelicht dat appellant in de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) in staat geacht kan worden cijfers, codes en tekeningen te kunnen interpreteren en dat bij eventuele vragen het afdelingshoofd op de werkplek beschikbaar is. Voorts heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 4 juni 2019, na overleg met de arbeidskundig analist, toegelicht dat in de functie van inpakker koekjes (SBC-code 111190) de hygiënevoorschriften ook mondeling verstrekt kunnen worden. Met deze motiveringen is voldoende toegelicht dat de Nederlandse taal geen belemmering is dat appellant deze functies kan verrichten.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uispraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2021.

(getekend) E. Dijt

(getekend) L.R. Kokhuis