Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1314

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
19/2694 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:3809, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststaat dat appellant zijn WW-aanvraag van 5 juli 2016 wegens arbeidsurenverlies door beëindiging van de werkzaamheden voor [naam B.V. 1] niet tijdig heeft ingediend. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv de WW-aanvraag van 22 februari 2016 niet heeft hoeven aan te merken als een WW-aanvraag voor de periode tot 1 december 2015 in verband met arbeidsurenverlies bij [naam B.V. 1]. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte uitsluitend van 1 december 2015 is uitgegaan in verband met arbeidsurenverlies bij [naam B.V. 2] Hieruit volgt dat het feit dat appellant niet tijdig een nieuwe WW-aanvraag heeft ingediend voor rekening en risico van appellant komt. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Vooropgesteld wordt dat op appellant de bewijslast rust van de aanwezigheid van een bijzonder geval. Wat appellant in dat kader heeft aangevoerd is in essentie hetzelfde als in beroep en komt erop neer dat het Uwv ervan op de hoogte was of had kunnen zijn dat het dienstverband met [naam B.V. 1] was beëindigd en hij daarom in aanmerking kwam voor een WW-uitkering. De overwegingen over deze gronden in de aangevallen uitspraak, hiervoor onder 2 weergegeven, worden onderschreven. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat appellant niet heeft voldaan aan de in deze op hem rustende bewijslast. Vastgesteld wordt dat de hoogte van de berekende wettelijke rente niet ter beoordeling voorligt. Appellant heeft in hoger beroep in essentie herhaald wat hij in beroep tegen het bestreden besluit voor zover dit ziet op het verzoek om vrijstelling van de wettelijke rente naar voren heeft gebracht. Deze gronden zijn in de aangevallen uitspraak gemotiveerd besproken. De rechtbank heeft in de door appellant gestelde bijzondere omstandigheden terecht geen aanleiding gezien om af te zien van de verschuldigde wettelijke rente. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid, worden dan ook geheel onderschreven. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de door hem verrichte werkzaamheden voor [naam B.V. 1] Het oordeel van de rechtbank dat de schending van de inlichtingenplicht verwijtbaar is, wordt onderschreven. Het Uwv was daarom verplicht appellant een boete op te leggen. De stelling van appellant dat de boete disproportioneel is omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met een verminderde mate van verwijtbaarheid, slaagt niet. De stelling van appellant dat afgezien moet worden van de boete omdat sprake is van bijzondere omstandigheden, slaagt ook niet. Uit de overweging volgt dat in de situatie van appellant de boete met toepassing van artikel 2, zevende lid, van het Boetebesluit dient te worden bepaald op (50/75 vermenigvuldigd met

€ 7.800,-) € 5.200,-. Dit betekent dat een boete tot een bedrag van € 5.200,- in dit geval passend en geboden is. Uit de overwegingen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank de hoogte van de boete heeft vastgesteld op € 5.533,33. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht het boetebedrag vaststellen op € 5.200,-. De aangevallen uitspraak zal voor zover aangevochten voor het overige worden bevestigd. Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente zal worden toegewezen. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2694 WIA

Datum uitspraak: 2 juni 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2019, 18/2294 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.F.M. van den Ekart, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het Uwv te veroordelen in vergoeding van schade.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Ekart. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Met ingang van 20 april 2012 heeft appellant gewerkt voor [naam B.V. 1]

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 25 juni 2015 de WW-uitkering van appellant vanaf 25 februari 2013 herzien omdat appellant zijn werkzaamheden voor [naam B.V. 1] niet heeft doorgegeven. Het Uwv heeft een bedrag van € 25.169,62 bruto aan te veel betaalde

WW-uitkering over de periode van 25 februari 2013 tot en met 1 juni 2014 en een bedrag van € 7.098,38 bruto over de periode van 2 juni 2014 tot en met 5 oktober 2014, in totaal € 32.268,- teruggevorderd. Tevens heeft het Uwv appellant een boete van € 7.800,- opgelegd omdat hij zijn werkzaamheden voor [naam B.V. 1] in de periode van 25 februari 2013 tot en met 5 oktober 2014 niet heeft doorgegeven. Appellant heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddel aangewend, zodat deze besluiten in rechte zijn komen vast te staan.

1.4.

Appellant heeft van 28 april 2015 tot 1 december 2015 gewerkt voor [naam B.V. 2]

1.5.

Appellant heeft op 22 februari 2016 een aanvraag om een WW-uitkering ingediend in verband met de beëindiging van zijn werkzaamheden voor [naam B.V. 2] per 1 december 2015.

1.6.

Appellant is met ingang van 1 december 2015 in aanmerking gebracht voor een

WW-uitkering.

1.7.

Bij besluit van 11 mei 2016 heeft het Uwv appellant bericht dat hij het nog verschuldigde bedrag van in totaal € 41.999,30 aan te veel betaalde WW-uitkering en boete in maandelijkse termijnen van € 206,08 moet terugbetalen.

1.8.

Appellant heeft op 5 juli 2016 een aanvraag voor WW-uitkering ingediend in verband met de beëindiging van zijn werkzaamheden voor [naam B.V. 1] per 16 maart 2015. Als reden voor de te late aanvraag heeft appellant opgegeven: “psychisch te zwaar belast, enorme achterstand administratie, digibeet. Wordt nu m.b.v. derden geprobeerd administratie op orde te krijgen.”.

1.9.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 mei 2016 is bij beslissing op bezwaar van 24 oktober 2016 deels gegrond verklaard. Voor zover hier van belang heeft het Uwv bij dit besluit het bezwaar van appellant tegen het vastgestelde aflossingsbedrag ongegrond verklaard, omdat gelet op het door appellant ingevulde formulier “Inkomens- en vermogensonderzoek” sprake is van een hogere aflossingscapaciteit. Het Uwv heeft het vastgestelde aflossingsbedrag van € 206,08 echter niet aangepast. Verder heeft het Uwv beslist dat onvoldoende aanleiding is om te stoppen met berekenen van rente over de openstaande bedragen, zoals door appellant was verzocht, omdat sprake is van een aflossingscapaciteit die niet volledig wordt benut. Ook heeft het Uwv bij deze beslissing op bezwaar de WW-aanvraag van 5 juli 2016 over de weken 12 tot en met 17 van 2015 (16 maart 2015 tot en met 26 april 2015) en over de weken 42 tot en met 52 (12 oktober 2015 tot en met 27 december 2015) afgewezen, omdat niet verder terug wordt gegaan dan 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Er is volgens het Uwv geen sprake van een bijzonder geval. Verder heeft het Uwv het berekende bedrag aan wettelijke rente over de opgelegde boete verminderd met € 226,19, omdat dit niet juist was berekend. Ten slotte heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat het boetebesluit in rechte vast is komen te staan en dat niet is gebleken dat de boete ten onrechte is opgelegd.

1.10.

De rechtbank Rotterdam heeft in een uitspraak van 3 november 2017, 16/7447 het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 24 oktober 2016, voor zover gericht tegen het vastgestelde aflossingsbedrag ongegrond verklaard. Voor zover bij dat besluit is beslist op de verzoeken van appellant om WW-uitkering over om vrijstelling van de wettelijke rente en om kwijtschelding dan wel herziening van de boete van € 7.800,-, heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een primair besluit. De rechtbank heeft bepaald dat het beroepschrift met aanvullende stukken moet worden doorgezonden naar het Uwv om deze in zoverre als bezwaarschrift te behandelen.

1.11.

Bij beslissing op bezwaar van 15 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de door de rechtbank genoemde punten onder 1.11 weergegeven, ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft het Uwv de afwijzing van het verzoek om vrijstelling van de wettelijke rente gehandhaafd, de boete na een inhoudelijke beoordeling gehandhaafd en de afwijzing van een WW-uitkering over de weken 12 tot en met 17 en vanaf week 42 tot 1 december 2015 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op de opgelegde boete, het besluit van 24 oktober 2016 in zoverre herroepen en de boete vastgesteld op € 5.533,33. Wat betreft de WW-aanvraag over de weken 12 tot en met 17 van 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze periode verder ligt dan 26 weken voor de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het standpunt van appellant dat het Uwv op de hoogte was van het per 5 oktober 2014 beëindigde dienstverband bij [naam B.V. 1] kan appellant niet baten omdat de aanvraag van 5 juli 2016 voor wat betreft arbeidsurenverlies bij [naam B.V. 1] ziet op de weken 12 tot en met 17 van 2015. Verder is appellant naar aanleiding van zijn aanvraag van 22 februari 2016 in aanmerking gebracht voor een WWuitkering met ingang van 1 december 2015 wegens arbeidsurenverlies bij [naam B.V. 2] De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte van die datum is uitgegaan. Het Uwv heeft daarom terecht gesteld dat ook de periode van week 42 tot 1 december 2015 verder ligt dan 26 weken voor de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Een bijzonder geval om af te wijken van de eerste volzin van de dwingendrechtelijke bepaling in artikel 35 van de WW is gesteld noch gebleken. Over het verzoek om af te zien van het berekenen van wettelijke rente heeft de rechtbank vastgesteld dat niet in geschil is dat appellant wettelijke rente verschuldigd is. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv in redelijkheid geen aanleiding heeft behoeven te zien om de heffing hiervan achterwege te laten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellant ten tijde van zijn verzoek niet zijn volledige aflossingscapaciteit benutte. Voor zover appellant heeft gesteld dat hij kampte met psychische klachten en daardoor zijn administratie niet deed, heeft het Uwv volgens de rechtbank hierin evenmin aanleiding behoeven te zien om het heffen van wettelijke rente achterwege te laten nu die stelling niet met objectieve en verifieerbare stukken is onderbouwd.
Wat betreft de boete heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Er zijn geen aanknopingspunten in de stukken dat appellant zijn werkhervatting telefonisch aan het Uwv heeft doorgegeven. Dat het Uwv via gegevens van de Belastingdienst op de hoogte kon zijn van de werkhervatting, laat onverlet dat appellant verplicht is en blijft om zo spoedig mogelijk alle informatie aan het Uwv te verstrekken waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering. Van het Uwv hoeft in zoverre niet te worden verwacht dat het uit eigen beweging steeds bij iedere verzekerde met een WW-uitkering nagaat of die verzekerde weer aan het werk is. Omdat het Uwv niet bekend was met het feit dat appellant inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, heeft dat ertoe geleid dat hij te veel WW-uitkering heeft ontvangen. Op grond van het bepaalde in artikel 27a, eerste lid, van de WW was het Uwv verplicht een bestuurlijke boete aan appellant op te leggen. De rechtbank ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunten om geen of verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Appellant heeft de door hem gestelde psychische problemen niet nader met medische gegevens onderbouwd, noch heeft de rechtbank hiervoor aanknopingspunten in het dossier gevonden. Omdat het benadelingsbedrag hoger is dan 100/75 van € 8.300,- (artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, derde categorie) is in beginsel een boete van € 5.533,33, zijnde 50/75 vermenigvuldigd met € 8.300,- evenredig met de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid. De rechtbank heeft deze boete dan ook passend en geboden geacht.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte is geoordeeld dat hij geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering met meer dan 26 weken terugwerkende kracht. Appellant heeft met de aanvraag van 22 februari 2016 ook bedoeld WW aan te vragen voor de maanden tot 1 december 2015. Appellant wijst erop dat het Uwv ermee bekend was dat zijn arbeidsovereenkomst met [naam B.V. 1] op 5 oktober 2014 was geëindigd. De WWuitkering van appellant had daarom na 5 oktober 2014 moeten worden voortgezet. De onvolledige administratie van het Uwv dan wel de onjuiste verwerking van gegevens van appellant mogen redelijkerwijs niet voor zijn rekening komen. Het Uwv had dan ook moeten uitgaan van een bijzonder geval. Verder heeft appellant aangevoerd dat het Uwv vanwege bijzondere omstandigheden had kunnen en moeten afzien van heffing van wettelijke rente en het opleggen van een boete. Appellant heeft daartoe gesteld dat hij lange tijd kampte met psychische problemen waardoor hij zijn post niet durfde open te maken en niet adequaat kon reageren op brieven van het Uwv. Pas in 2016 heeft hij hulp geaccepteerd en werd zijn post behandeld. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat hij in 2013 al telefonisch aan het Uwv heeft doorgegeven dat hij weer werk had. Bovendien was het Uwv al uit andere informatiebronnen, zoals de Belastingdienst en de werkgever van appellant, bekend met de inkomsten van appellant, zodat appellant ervan mocht uitgaan dat hij zijn inkomsten niet nog eens behoefde door te geven. Omdat verwijtbaarheid ontbreekt, had het Uwv moeten afzien van het opleggen van een boete. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat de hoogte van opgelegde boete gelet op het voorgaande en gezien het rapport 2014/159 van de Nationale Ombudsman nog steeds disproportioneel is. Het Uwv is ten onrechte uitgegaan van normale verwijtbaarheid in plaats van verminderde verwijtbaarheid. Daarnaast heeft de rechtbank bij de berekening van de boete een onjuist maximum boetebedrag gehanteerd. In aanvulling hierop heeft appellant erop gewezen dat het Uwv recent zijn verzoek om herziening van de boete en zijn verzoek om kwijtschelding van het restant van de schuld heeft afgewezen. Ter zitting heeft appellant nog aangevoerd dat de wettelijke rente moet worden stopgezet als er geen sprake meer is van verzuim. Volgens appellant is hij geen wettelijke rente meer verschuldigd vanaf het moment dat er een betalingsregeling is. Appellant verzoekt om vergoeding van schade in de vorm van de wettelijke rente.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor de relevante wet- en regelgeving en de uitleg daarvan wordt verwezen naar de onderdelen 3.1, 4.1 en 5.6 en 5.7 van de aangevallen uitspraak.


de WW-aanvraag

4.2.

Vaststaat dat appellant zijn WW-aanvraag van 5 juli 2016 wegens arbeidsurenverlies door beëindiging van de werkzaamheden voor [naam B.V. 1] niet tijdig heeft ingediend. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv de WW-aanvraag van 22 februari 2016 niet heeft hoeven aan te merken als een WW-aanvraag voor de periode tot 1 december 2015 in verband met arbeidsurenverlies bij [naam B.V. 1] Uit niets is gebleken dat appellant tevens een aanvraag heeft willen doen voor een WW-uitkering in verband met de beëindiging van zijn werkzaamheden bij [naam B.V. 1] De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte uitsluitend van 1 december 2015 is uitgegaan in verband met arbeidsurenverlies bij [naam B.V. 2] Hieruit volgt dat het feit dat appellant niet tijdig een nieuwe WW-aanvraag heeft ingediend voor rekening en risico van appellant komt. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

4.3.

Tussen partijen is voorts in geschil de vraag of sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv bevoegd is af te wijken van artikel 35, eerste volzin, van de WW, waarin is bepaald dat de uitkering niet wordt betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:972) is de aanwezigheid van een bijzonder geval een objectieve voorwaarde voor het doen ontstaan en de uitoefening van de bevoegdheid van het Uwv om af te wijken van deze dwingendrechtelijke bepaling. De rechter moet volledig toetsen of in een concreet geval aan die voorwaarde is voldaan, waarbij het begrip “bijzonder geval” naar zijn aard restrictief moet worden uitgelegd.

4.5.

Vooropgesteld wordt dat op appellant de bewijslast rust van de aanwezigheid van een bijzonder geval. Wat appellant in dat kader heeft aangevoerd is in essentie hetzelfde als in beroep en komt erop neer dat het Uwv ervan op de hoogte was of had kunnen zijn dat het dienstverband met [naam B.V. 1] was beëindigd en hij daarom in aanmerking kwam voor een WW-uitkering. De overwegingen over deze gronden in de aangevallen uitspraak, hiervoor onder 2 weergegeven, worden onderschreven. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat appellant niet heeft voldaan aan de in deze op hem rustende bewijslast. Aangezien van een bijzonder geval in dit geval geen sprake is, was het Uwv niet bevoegd om af te wijken van het bepaalde in artikel 35, eerste volzin, van de WW. Het Uwv heeft terecht de WW-aanvraag over de weken 12 tot en met 17 van 2015 en over de week 42 tot 1 december 2015 geweigerd.
het verzoek om vrijstelling van de wettelijke rente
4.6. Vastgesteld wordt dat de hoogte van de berekende wettelijke rente niet ter beoordeling voorligt. Appellant heeft in hoger beroep in essentie herhaald wat hij in beroep tegen het bestreden besluit voor zover dit ziet op het verzoek om vrijstelling van de wettelijke rente naar voren heeft gebracht. Deze gronden zijn in de aangevallen uitspraak, zoals weergegeven onder 2 van deze uitspraak, gemotiveerd besproken. De rechtbank heeft in de door appellant gestelde bijzondere omstandigheden terecht geen aanleiding gezien om af te zien van de verschuldigde wettelijke rente. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellant niet heeft weersproken dat zijn aflossingscapaciteit niet volledig benut wordt. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid, worden dan ook geheel onderschreven. Het feit dat appellant nu een betalingsregeling heeft getroffen met het Uwv doet niet af aan de verschuldigdheid van de wettelijke rente over het nog openstaande bedrag.

de boete

4.7.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de door hem verrichte werkzaamheden voor [naam B.V. 1] Het oordeel van de rechtbank dat de schending van de inlichtingenplicht verwijtbaar is, wordt onderschreven. Het Uwv was daarom verplicht appellant een boete op te leggen.

4.8.

De stelling van appellant dat de boete disproportioneel is omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met een verminderde mate van verwijtbaarheid, slaagt niet. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat is niet gebleken dat appellant door zijn psychische problemen de inlichtingenverplichting niet kon nakomen. De stelling van appellant dat afgezien moet worden van de boete omdat sprake is van bijzondere omstandigheden, slaagt dan ook niet. De rechtbank is bij de mate waarin de gedraging aan appellant kan worden verweten dan ook terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Dit betekent dat 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt is bij de bepaling van de hoogte van de boete. De wetgever heeft het uitgangspunt dat geen hogere boete kan worden opgelegd dan de maximale geldboete die de strafrechter op grond van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht zou hebben kunnen opleggen, neergelegd in artikel 2, zevende lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit), zoals deze bepaling sinds 1 januari 2017 luidt. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat uitgaande van normale verwijtbaarheid de hoogte van de boete moet worden vastgesteld op 50/75 vermenigvuldigd met het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is daarbij ten onrechte uitgegaan van een strafmaximum van € 8.300,-, omdat dit bedrag pas vanaf 1 januari 2018 van toepassing is. In dit geval had wat betreft de hoogte van het maximumboetebedrag aangesloten moeten worden bij het maximumboetebedrag zoals dat op 25 februari 2013 gold, te weten € 7.800,-, vergelijk de uitspraak van 10 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2149.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat in de situatie van appellant de boete met toepassing van artikel 2, zevende lid, van het Boetebesluit dient te worden bepaald op (50/75 vermenigvuldigd met
€ 7.800,-) € 5.200,-. Dit betekent dat een boete tot een bedrag van € 5.200,- in dit geval passend en geboden is.

4.10.

Uit 4.8 en 4.9 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank de hoogte van de boete heeft vastgesteld op € 5.533,33. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht het boetebedrag vaststellen op € 5.200,-. De aangevallen uitspraak zal voor zover aangevochten voor het overige worden bevestigd.

4.11.

Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente zal worden toegewezen. Ter zitting is vastgesteld dat appellant de opgelegde boete en de daarover berekende wettelijke rente volledig heeft betaald. Het Uwv moet bij de als gevolg van deze uitspraak te verrichten betaling van het ten onrechte ingevorderde boetebedrag het bedrag van deze rente vaststellen en uitbetalen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.335,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor het verzoek om schade) en door appellant gemaakte reiskosten van € 35,-. Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding. De proceskosten worden vastgesteld op een totaalbedrag van € 1.370,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het bedrag van de boete heeft vastgesteld op € 5.533,33;

  • -

    stelt het bedrag van de boete vast op € 5.200,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 15 maart 2018;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellant van de schade zoals onder 4.11 van deze uitspraak is vermeld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.370,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en M. Schoneveld en F.M. Rijnbeek als leden, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2021.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) H. Spaargaren