Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1309

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
19/701 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar aanleiding van de in geschil zijnde melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellante in verband met de val op 27 augustus 2016, is zij op 22 juni 2017 onderzocht door een arts van het Uwv. Deze heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de beoordeling per einde wachttijd. De in bezwaar ingediende medische informatie en het in beroep ingebrachte rapport van de neuroloog van 11 oktober 2018 kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet tot een ander oordeel leiden. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde stukken van de bekkenfysiotherapeut heeft het Uwv opgemerkt dat daarop al in eerdere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gereageerd. Met ingang van 22 juni 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel aanleiding gezien om meer beperkingen vast te stellen als gevolg van een Posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) waarvoor appellante sinds 12 mei 2017 in behandeling is. Dat bij het onderzoek op 22 juni 2017 geen dysfunctie van de rug, heupen en knieën is opgemerkt door de arts van het Uwv hoeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te conflicteren met de bevindingen van de neuroloog. Bij een kleine hernia moet volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep getracht worden een normaal belastings- en bewegingspatroon aan te nemen en is dat niet mogelijk bij zware, maar wel bij lichte rugbelastende activiteiten. De FML voldoet hier volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in voldoende mate aan. Evenals de rechtbank heeft overwogen hebben de artsen van het Uwv voldoende rekening gehouden met de informatie van de behandelaars. Nu ten tijde van de datum in geding nog geen sprake was van een therapie is er geen aanleiding om de in verband daarmee gestelde beperkingen ook per datum in geding aanwezig te achten. Ook overigens is er geen aanleiding om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat op dat moment geen sprake was van een toename van psychische beperkingen ten opzichte van de beoordeling per einde wachttijd. Het oordeel van de rechtbank wordt dan ook bevestigd. Door het Uwv is er met ingang van 24 september 2016 op goede gronden ongewijzigd een WGA-vervolguitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 68,49%. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 701 WIA

Datum uitspraak: 31 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

28 december 2018, 18/1653 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Winia, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is tot 1 augustus 2011 werkzaam geweest als docent en leerlingbegeleider in het middelbaar beroepsonderwijs voor gemiddeld 36,78 uur per week. Op 16 juni 2014 heeft appellante zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Daarna heeft zij een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen. Na het doorlopen van de wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 14 juni 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De uitkering is met ingang van

29 juni 2016 omgezet in een WGA-vervolguitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 68,49%.

1.2.

Na een val op 27 augustus 2016 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld bij het Uwv met ingang van 24 september 2016. Zij heeft op 22 juni 2017 het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft ten opzichte van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per einde wachttijd geen toegenomen beperkingen vastgesteld. Bij besluit van 26 juli 2017 (primair besluit 1) heeft het Uwv besloten dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 24 september 2016 niet is gewijzigd zodat de WGA-vervolguitkering niet wijzigt. Bij een tweede besluit van 26 juli 2017 (primair besluit 2) heeft het Uwv besloten dat met ingang van 1 oktober 2017 de mate van arbeidsongeschiktheid na een arbeidskundig onderzoek wordt vastgesteld op 64,87%. Appellante heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 16 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv wederom geen aanleiding gezien om met ingang van 24 september 2016 meer beperkingen vast te stellen en is het bezwaar tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen primair besluit 2 heeft het Uwv gegrond verklaard. Met ingang van 22 juni 2017 zijn meer beperkingen vastgesteld, is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100% en heeft het Uwv aan appellante een IVA-uitkering toegekend. Aan deze besluitvorming ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 februari 2018 ten grondslag. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover dit ziet op de weigering om haar met ingang van 24 september 2016 toegenomen arbeidsongeschikt te achten.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 6 februari 2018 de rapporten van de behandelend neuroloog van 15 september 2017 en van 11 oktober 2018 betrokken in de beoordeling. Door uit te gaan van een mogelijke wortelirritatie L5 links heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende rekening gehouden met de differentiaaldiagnose van de neuroloog. Volgens het Groot woordenboek der Nederlandse taal van Van Dale is een differentiaaldiagnose “een diagnose waarbij uit sterk verwante alternatieven gekozen moet worden”. Dit betreft dan ook niet een overzicht van tegelijkertijd toepasselijke definitieve diagnoses, maar slechts een lijst met mogelijke diagnoses die op zichzelf een voor de hand liggende verklaring voor de klachten kunnen zijn. Dat de neuroloog ook nog twee andere mogelijke verklaringen vermeldt die de verzekeringsarts niet noemt, acht de rechtbank niet onzorgvuldig. Voor de drie genoemde diagnoses geldt immers dat geen enkele op dat moment definitief is en zij allen sterk verwant zijn. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat het Uwv zich niet heeft gebaseerd op de juiste medische gegevens of dat hij de diagnose heeft onderschat. Wat appellante heeft aangevoerd leidt daarom niet tot de conclusie dat de medische beoordeling van het Uwv onjuist is. Er is daarom geen reden om te twijfelen aan de conclusie van het Uwv dat bij appellante geen sprake is van toegenomen beperkingen per 24 september 2016 en dat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum niet is gewijzigd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv haar al vanaf 24 september 2016 een IVA-uitkering had moeten toekennen. Als gevolg van de val heeft zij een forse toename van fysieke beperkingen gekregen. Appellante verwijst daarvoor naar de rapporten van bekkenfysiotherapeut W. Tempelaars. Ook bestonden de per 22 juni 2017 aangenomen psychische beperkingen al veel eerder. Uit het verslag van de eerste behandeling vanaf 12 mei 2017 blijkt dat de boosheid naar mensen toe er al veel langer was. Appellante begrijpt niet waarom zij pas per 22 juni 2017 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is een melding van appellante van toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 24 september 2016. De mate van arbeidsongeschiktheid is op dat moment, evenals bij de beoordeling per einde wachttijd op 14 juni 2016, vastgesteld op 68,49%. Ter beoordeling staat of het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de beoordeling per einde wachttijd, juist is.

4.2.

In het kader van het bezwaar van appellante tegen de toekenning van de WIA-uitkering met ingang van 14 juni 2016 is appellante op 28 november 2016 onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. Naar aanleiding van de in geschil zijnde melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellante in verband met de val op

27 augustus 2016, is zij op 22 juni 2017 onderzocht door een arts van het Uwv. Deze heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de beoordeling per einde wachttijd. Tijdens de bezwaarprocedure zijn verschillende medische stukken ingebracht van de huisarts, de bekkenfysiotherapeut, een psychiater van Care to Change, een neuroloog, een radioloog en een cardioloog. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 6 februari 2018 en 29 oktober 2018 gemotiveerd dat er bij het onderzoek op 28 november 2016 een niet afwijkend looppatroon werd geconstateerd, appellante een half uur rustig kon zitten en dat zij heeft verklaard een uur te kunnen staan. Omdat er bij de beoordeling per einde wachttijd al forse functionele stoornissen van de rug en heupregio waren aangenomen en appellante beperkt is geacht voor zwaar fysieke belastingen in werk, zijn er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van de beschikbare informatie geen medische argumenten om per 24 september 2016 meer beperkingen vast te stellen. De in bezwaar ingediende medische informatie en het in beroep ingebrachte rapport van de neuroloog van 11 oktober 2018 kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet tot een ander oordeel leiden. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde stukken van de bekkenfysiotherapeut heeft het Uwv opgemerkt dat daarop al in eerdere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gereageerd.

4.3.

Met ingang van 22 juni 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel aanleiding gezien om meer beperkingen vast te stellen als gevolg van een Posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) waarvoor appellante sinds 12 mei 2017 in behandeling is. Dat bij het onderzoek op 22 juni 2017 geen dysfunctie van de rug, heupen en knieën is opgemerkt door de arts van het Uwv hoeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te conflicteren met de bevindingen van de neuroloog. De neuroloog vond bij lichamelijk onderzoek geen aanwijzingen voor een radiculaire beïnvloeding (zenuwwortelprikkeling) en heeft niet stellig de diagnose rughernia aangenomen, maar een mogelijke wortelirritatie L5 links. Bij een kleine hernia moet volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep getracht worden een normaal belastings- en bewegingspatroon aan te nemen en is dat niet mogelijk bij zware, maar wel bij lichte rugbelastende activiteiten. De FML voldoet hier volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in voldoende mate aan.

4.4.

Evenals de rechtbank heeft overwogen hebben de artsen van het Uwv voldoende rekening gehouden met de informatie van de behandelaars. Gemotiveerd is door het Uwv dat uit de informatie blijkt dat appellante na de val veel pijnklachten heeft, maar niet dat de beperkingen ten opzichte van de beoordeling per einde wachttijd, 14 juni 2016, zijn toegenomen. Over de psychische belastbaarheid is er vóór 2017 alleen informatie van de huisarts dat appellante vanaf medio 2013 tot begin 2016 in behandeling is geweest bij de praktijkondersteuner van de huisarts. Op grond van deze informatie en de presentatie van appellante tijdens de onderzoeken zijn er door de verzekeringsartsen van het Uwv per einde wachttijd en datum in geding beperkingen vastgesteld ten aanzien van deadlines, conflicthantering, leidinggeven en een urenbeperking van 6 uur per dag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 6 februari 2018 gesteld dat aannemelijk is dat de therapie die appellante sinds

12 mei 2017 volgt eerst leidt tot verdieping van de ervaren klachten. In verband daarmee acht hij het aannemelijk dat appellante in werk niet structureel belast moet worden met interpersoonlijke contacten en heeft daarom aanvullende beperkingen aangenomen ten aanzien van samenwerken, werken met klanten en met hulpbehoevenden. Deze aanvullingen hebben, na een arbeidskundige beoordeling, geleid tot toekenning van een IVA-uitkering per 22 juni 2017. Nu ten tijde van de datum in geding nog geen sprake was van een therapie is er geen aanleiding om de in verband daarmee gestelde beperkingen ook per datum in geding aanwezig te achten. Ook overigens is er geen aanleiding om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat op dat moment geen sprake was van een toename van psychische beperkingen ten opzichte van de beoordeling per einde wachttijd.

4.5.

Het oordeel van de rechtbank wordt dan ook bevestigd. Door het Uwv is er met ingang van 24 september 2016 op goede gronden ongewijzigd een WGA-vervolguitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 68,49%.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2021.

(getekend) E. Dijt

(getekend) H. Spaargaren