Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1308

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
17/8187 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:9194, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4287) dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Volgens de deskundige was er op de datum in geding geen sprake van een beperking op orthopedisch terrein voor de rechterschouder. De stelling van appellant dat de medische problemen die in 2017 en 2018 zijn vastgesteld, met name voor wat betreft de klachten aan de rechterschouder, ook al op de datum in geding bestonden, heeft de deskundige verworpen. In het rapport van 28 augustus 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv desgevraagd te kennen gegeven de deskundige te volgen in haar standpunt voor wat betreft de schouderklachten van appellant. Voor wat betreft de door de deskundige genoemde rugklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat deze klachten destijds al in de beoordeling van de belastbaarheid van appellant zijn meegewogen en geen aanleiding geven om appellant op grond daarvan ongeschikt te achten voor de maatgevende arbeid. Er bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van de inzichtelijk gemotiveerde standpunten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Appellant heeft geen overtuigende argumenten aangevoerd die aanleiding geven om de deskundige en of het Uwv niet te volgen. De overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. De redelijke termijn is met tien maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel gelegen in de rechterlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 8187 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 november 2017, 16/6691 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 2 juni 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.F. Desloover, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Desloover. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.C. Geldof. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

De Raad heeft orthopedisch chirurg drs. A.M.E. Giesberts als deskundige benoemd. Deze heeft op 4 augustus 2020 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het rapport gegeven. Appellant heeft nog nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als logistiek medewerker voor 36 uur per week, toen hij zich op 19 oktober 2015 voor dit werk ziek meldde met lichamelijke klachten als gevolg van een auto-ongeval. Het dienstverband is op 11 februari 2016 beëindigd. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Op 22 maart 2016 en op 5 juli 2016 heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Op het laatste spreekuurcontact van 5 juli 2016 heeft deze arts appellant weer geschikt geacht voor zijn laatst verrichte arbeid in de functie van logistiek medewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 5 juli 2016 vastgesteld dat appellant per 7 juli 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 30 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

24 augustus 2016 en van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 augustus 2016 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen. De in beroep ingebrachte medische informatie kan volgens de rechtbank niet leiden tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank in het rapport van 13 december 2016 inzichtelijk gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de orthopedisch chirurg heeft vastgesteld dat in de maand juni 2016 geen afwijkingen meer bij appellant konden worden vastgesteld en dat de klachten van appellant passend zijn bij whiplash associated disorder. Hiervan is bekend dat er geen organische oorzaak is en derhalve geen organische schade kan optreden bij werkhervatting en/of werkbelasting. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan voornoemd oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat een arbeidsdeskundige, na raadpleging van de voormalige leidinggevende van appellant, het werk van appellant in het rapport van 24 augustus 2016 nader heeft geanalyseerd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat voornoemde analyse ondeugdelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen van de arbeidsdeskundige meegenomen in de beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank is, anders dan appellant stelt, voldoende rekening gehouden met de klachten van appellant in relatie tot het eigen werk. Wat betreft het medicijn Zaldiar heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, na schorsing van het onderzoek ter zitting, desgevraagd in het rapport van 17 juli 2017 nogmaals heeft toegelicht dat dit medicijn ten tijde van de datum in geding niet aan appellant werd voorgeschreven. Dit blijkt volgens de rechtbank ook uit het door appellant op 14 augustus 2017 overgelegd medicatieoverzicht en de brief van de huisarts van 11 augustus 2017. In de periode van mei 2016 en september 2016 gebruikte appellant alleen ibuprofen en paracetamol. In het rapport van 17 juli 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat in het door appellant overgelegde medisch arbeidsmogelijkhedenonderzoek van 11 november 2016 slechts een summiere beschrijving van de klachten wordt gegeven zonder verdere specificatie. De rechtbank volgt de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat niet duidelijk is waarop de in het onderzoek geconstateerde beperkingen zijn gebaseerd en dat het onderzoek geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat appellant ten tijde van de datum in geding in objectief medische zin ernstiger beperkt was dan aangegeven.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn medische problematiek hem op de datum in geding verhinderde om zijn maatgevende arbeid te verrichten. Ter onderbouwing daarvan heeft appellant een brief van de revalidatiearts M. van der Werf van 24 november 2017 overgelegd. De medische problemen die in de brief van de revalidatiearts worden beschreven, bestonden volgens appellant ook op de datum in geding en stonden het kunnen verrichten van zijn werk als logistiek medewerker destijds in de weg. Nu de rechtbank heeft nagelaten een deskundige te benoemen verzoekt appellant de Raad om een deskundige te benoemen. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant diverse stukken van de behandelend sector overgelegd, waaronder informatie van orthopedisch chirurg

dr. S. Rutten van 26 september 2018 en 18 februari 2019. Daaruit blijkt dat er medio 2018 sprake is van een cuff ruptuur, full thickness en AC artrose symptomatisch en dat er op 24 oktober 2018 een scopische cuffrepair bij appellant is verricht.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 april 2018 ingebracht.

3.3.

De door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie heeft de Raad aanleiding gegeven om orthopedisch chirurg Giesberts als deskundige te benoemen. In haar rapport van 4 augustus 2020 is deze deskundige tot de conclusie gekomen dat er op de datum in geding geen sprake was van een beperking op orthopedisch terrein voor de rechterschouder.

3.4.

Appellant heeft bij brief van 11 augustus 2020 gereageerd op het rapport van orthopedisch chirurg Giesberts en nadere stukken overgelegd. Bij brief 15 september 2020 heeft appellant een concept rapport van orthopedisch chirurg dr. R.J.J. Devilee van 25 augustus 2020, dat in het kader van een letselschadeprocedure is opgesteld, ingebracht en verzocht om de stukken aan de deskundige voor te leggen.

3.5.

Het Uwv heeft, onder overlegging van rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 augustus 2020 en van 25 november 2020, op voornoemde rapporten gereageerd en het standpunt gehandhaafd dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk als logistiek medewerker.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

Als uitgangspunt geldt volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4287) dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige Giesberts geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft alle aanwezige medische informatie bestudeerd, appellant onderzocht en verslagen van röntgenonderzoeken opgevraagd. De deskundige heeft in haar rapport de bevindingen van het onderzoek nauwkeurig weergegeven. Volgens de deskundige was er op de datum in geding geen sprake van een beperking op orthopedisch terrein voor de rechterschouder.

4.3.

De stelling van appellant dat de medische problemen die in 2017 en 2018 zijn vastgesteld, met name voor wat betreft de klachten aan de rechterschouder, ook al op de datum in geding bestonden, heeft de deskundige verworpen. Volgens de deskundige toont het MRI-onderzoek van de rechterschouder op 16 maart 2016 geen letsel aan de rotatorcuff en geen botoedeem. Het is zeer onwaarschijnlijk dat bij het ongeval in 2015 een rotatorcuffletsel zou zijn ontstaan, zonder dat daarvan in maart 2016 op de MRI verschijnselen van zichtbaar waren. Het rotatorcuffletsel/ full thickness letsel dat in 2018 is vastgesteld kan volgens de deskundige ook zonder ongeval zijn ontstaan. Op de datum in geding, te weten 7 juli 2016, was er volgens de deskundige geen sprake van een rotatorcuffletsel. Wel acht de deskundige dat appellant ten tijde van de datum in geding licht beperkt was voor rugbelastende activiteiten. Blijkens een MRI-scan van de lumbale wervelkolom op 26 januari 2016 was er sprake van een milde degeneratieve afwijking op niveau L5-S1. Op grond hiervan acht de deskundige appellant ten tijde van de datum in geding licht beperkt voor gebogen werken, bukken, tillen en torderen.

4.4.

In het rapport van 28 augustus 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv desgevraagd te kennen gegeven de deskundige te volgen in haar standpunt voor wat betreft de schouderklachten van appellant. Voor wat betreft de door de deskundige genoemde rugklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat deze klachten destijds al in de beoordeling van de belastbaarheid van appellant zijn meegewogen en geen aanleiding geven om appellant op grond daarvan ongeschikt te achten voor de maatgevende arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijst in dit verband nog naar het arbeidskundig onderzoek van 24 augustus 2016, waarin de register arbeidsdeskundige de eigen werkzaamheden van appellant heeft onderzocht en beschreven. Ook in de nadien door appellant overgelegde medische informatie, waaronder de informatie van orthopedisch chirurg Devilee, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. In het rapport van 25 november 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet dat ook orthopedisch chirurg Devilee in zijn beschouwing tot de conclusie komt dat er in 2016 en 2017 geen aanwijzingen waren voor een rotatorcuffletsel en dat de rugklachten van appellant myogeen zijn op basis van de (in 2016) gevonden lichte degeneratieve afwijkingen, omdat er geen posttraumatische afwijkingen in de wervelkolom zijn op basis waarvan de door appellant aangegeven klachten kunnen worden verklaard. Er bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van de inzichtelijk gemotiveerde standpunten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.

4.5.

Appellant heeft geen overtuigende argumenten aangevoerd die aanleiding geven om de deskundige en of het Uwv niet te volgen. De door appellant, na het onderzoek van de deskundige Giesberts, in hoger beroep ingediende stukken bevatten geen nieuwe medische feiten of omstandigheden die een ander licht op de belastbaarheid van appellant per 7 juli 2016 werpen. Dat geldt ook voor de informatie van orthopedisch chirurg Devilee. Uit de voornoemde informatie komt naar voren dat de klachten en problemen van appellant, medio 2017/2018, dus ruim na de datum in geding zijn verergerd.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6.1.

Wat betreft het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM wordt als volgt geoordeeld.

6.2.

De redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in bezwaar, beroep en hoger beroep in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). Daarbij geldt dat doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur bij het bestuursorgaan als binnen zes maanden op het bezwaar is beslist en geen sprake is van een te lange behandelingsduur bij de bestuursrechter als de behandeling van het beroep en hoger beroep in totaal niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

6.2.

Voor de situatie van appellant betekent dit het volgende. De procedure in haar geheel heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 9 juli 2016 tot aan de datum van deze uitspraak meer dan vier jaar geduurd, terwijl er geen omstandigheden zijn die een langere behandelingsduur dan vier jaar rechtvaardigen. De redelijke termijn is dan ook met tien maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel gelegen in de rechterlijke fase. Dit leidt tot een schadevergoeding van tweemaal € 500,-. Dat betekent dat de Staat zal worden veroordeeld tot een schadevergoeding van € 1.000,- aan appellant.

6.3.

Er is aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant ter zake van het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Deze worden begroot op € 267,- voor kosten van rechtsbijstand (1 punt voor het verzoek met een wegingsfactor 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

  • -

    veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 267,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2021.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) B.V.K. de Louw