Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
20/2965 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:6154, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan te grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat uit de in hoger beroep ingestuurde informatie van de fysiotherapeut en de behandelend neuroloog blijkt dat op de datum in geding 3 oktober 2018 sprake was van een zenuwbeklemming waardoor appellante zwaarder beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. De behandelend neuroloog heeft op 10 november 2020 – na raadpleging van een MRI-LWK van 15 september 2019 waarop geen afwijkingen van betekenis zijn gevonden – geconcludeerd dat voor de pijnklachten van de rug en het rechterbeen geen neurologische verklaring is. Ook de (destijds) behandelend neuroloog heeft op 15 augustus 2018 geconcludeerd dat de rugklachten van appellante niet zijn te verklaren door afwijkingen op de MRI-scan en er dus geen indicatie is voor een wortelblokkade of operatieve behandeling. Verder heeft de reumatoloog op 8 oktober 2018 op de MRI van het bekken van 26 september 2018 geen (buiten normale) afwijkingen geconstateerd. Deze bevindingen van de behandelend artsen zijn geheel in lijn met het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 16 mei 2019 ingenomen standpunt dat de laag-lumbale pijnklachten met uitstraling langs het rechterbeen niet verklaard kunnen worden uit een ziekte of gebrek. In de door appellante in hoger beroep ingestuurde behandelovereenkomst uit 2020 en de verslagen van gesprekken met haar behandelaar uit 2020 ziet de Raad geen aanknopingspunten om te oordelen dat het Uwv de psychische belastbaarheid van appellante op de datum in geding onjuist heeft vastgesteld. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2965 WIA

Datum uitspraak: 27 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2020, 19/3487 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Sarier, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021. De zitting heeft plaatsgevonden door middel van videobellen. Daaraan hebben deelgenomen appellante, bijgestaan door mr. Sarier en G. Vermeijden namens het Uwv.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, die werkzaam was als back office medewerker voor 29,37 uur per week,

heeft zich op 5 oktober 2016 ziek gemeld met rug- en longklachten.

1.2.

In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar

arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante aangewezen is op afwisselend zittend en staand werk en preventief beperkt is ten aanzien van conflictsituaties. Hij heeft de beperkingen van appellante neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De verzekeringsarts heeft appellante geschikt geacht voor haar eigen werk als back office medewerker. Een arbeidsdeskundige heeft eveneens vastgesteld dat appellante geschikt is voor haar eigen werk. Verder heeft hij vijf functies geselecteerd en heeft hij op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 29,62%.

1.3.

Bij besluit van 13 november 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met

ingang van 3 oktober 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.4.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 juni 2019

(bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen ten grondslag een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 mei 2019, een aangescherpte FML van 16 mei 2019 en een rapport van 21 mei 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. In de herziene FML heeft deze verzekeringsarts in verband met astma aanvullende beperkingen opgenomen ten aanzien van stof en dampen. Verder zijn in verband met de psychische klachten van appellante aanvullende beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en werktijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft appellante, gelet op de aangescherpte FML van 16 mei 2019, niet geschikt geacht voor haar maatgevende functie van medewerker back office en twee van de vijf eerder geselecteerde functies verworpen. Op basis van de resterende drie functies heeft zij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 32,15% en vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig geacht. Het medisch onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, anamnese, eigen onderzoek door de verzekeringsarts en medische informatie van de behandelend artsen.

2.2.

Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 16 mei 2019 inzichtelijk gemotiveerd wat de beperkingen van appellante zijn. Zij heeft naar aanleiding van de in bezwaar ingestuurde informatie extra psychische beperkingen aangenomen. Zij heeft in haar aanvullende rapport van 30 oktober 2019 afdoende gemotiveerd dat de klachten van appellante zijn meegewogen. Dat deze verzekeringsarts minder beperkingen heeft aangenomen dan appellante heeft geclaimd (in het bijzonder in de rubrieken 4 en 5) komt omdat de behandelaars van appellante voor diverse klachten (waaronder het oedeem) geen medische objectiveerbare oorzaak hebben gevonden. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat een urenbeperking niet aan de orde is omdat geen sprake is van een ernstige lichamelijke energie-beperkende aandoening of van beperkte beschikbaarheid wegens noodzakelijke (dag)therapie. Ten slotte heeft deze arts afdoende gemotiveerd dat rekening is gehouden met het medicatie-gebruik van appellante en dat dit niet van invloed is op het aandachts- of reactievermogen. Medicatie waarbij dat wel het geval is, was op de datum in geding niet aanwezig. Wat appellante daartegen heeft aangevoerd, is geen reden om het medisch oordeel voor onjuist te houden.

2.3.

Wat betreft de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 21 mei 2019 toereikend heeft gemotiveerd dat ondanks dat de geselecteerde functies voornamelijk zittend worden uitgevoerd, er voor appellante voldoende mogelijkheden zijn om zich naar eigen inzicht te vertreden. In haar aanvullende rapport van 11 november 2019 heeft deze arbeidsdeskundige op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat de belasting in de drie geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellante blijft.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat het medisch en arbeidskundig onderzoek onzorgvuldig en ondeugdelijk is. Tevens heeft appellante herhaald dat wat betreft haar pijnklachten in haar rug en been zowel haar fysiotherapeut als haar behandelend neuroloog hebben bevestigd dat al langere tijd en in ieder geval op de datum in geding sprake was van een zenuwbeklemming waardoor zij fysiek meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgesteld. Appellante heeft aanvullende medische informatie ingediend van onder andere haar fysiotherapeut, neuroloog en anesthesioloog.

Verder heeft appellante aangevoerd dat haar psychische beperkingen zijn onderschat. Voor deze klachten – die volgens haar behandelaars in wisselende mate (van ernstig tot zeer ernstig) aanwezig zijn – is zij onder behandeling. De behandeling door HSK heeft plaatsgevonden van 25 april 2018 tot 15 augustus 2019 en na doorverwijzing heeft zij per april 2020 een nieuwe behandelaar gevonden. Ter onderbouwing heeft zij in hoger beroep ingestuurd een (ongedateerde) behandelovereenkomst en verslagen van gesprekken in 2020 met haar hulpverlener.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte en gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of de rechtbank juist heeft geoordeeld dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van

3 oktober 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan te grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.

Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat uit de in hoger beroep ingestuurde informatie van de fysiotherapeut en de behandelend neuroloog blijkt dat op de datum in geding 3 oktober 2018 sprake was van een zenuwbeklemming waardoor appellante zwaarder beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Uit de in hoger beroep ingestuurde medische stukken blijkt dat de neuroloog op 23 oktober 2020 mede op basis van de anamnese heeft vastgesteld dat mogelijk sprake was van een radiculair syndroom gedurende 2 a 3 jaar. De behandelend neuroloog heeft echter op 10 november 2020 – na raadpleging van een MRI-LWK van 15 september 2019 waarop geen afwijkingen van betekenis zijn gevonden – geconcludeerd dat voor de pijnklachten van de rug en het rechterbeen geen neurologische verklaring is.

4.5.

Ook de (destijds) behandelend neuroloog heeft op 15 augustus 2018 geconcludeerd dat de rugklachten van appellante niet zijn te verklaren door afwijkingen op de MRI-scan en er dus geen indicatie is voor een wortelblokkade of operatieve behandeling. Verder heeft de reumatoloog op 8 oktober 2018 op de MRI van het bekken van 26 september 2018 geen (buiten normale) afwijkingen geconstateerd. Tevens is in het huisartsenjournaal op 7 januari 2019 vermeld dat er geen verklaring is voor de pijnklachten laag-lumbaal. Deze bevindingen van de behandelend artsen zijn geheel in lijn met het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 16 mei 2019 ingenomen standpunt dat de laag-lumbale pijnklachten met uitstraling langs het rechterbeen niet verklaard kunnen worden uit een ziekte of gebrek.

4.6.

In de door appellante in hoger beroep ingestuurde behandelovereenkomst uit 2020 en de verslagen van gesprekken met haar behandelaar uit 2020 ziet de Raad geen aanknopingspunten om te oordelen dat het Uwv de psychische belastbaarheid van appellante op de datum in geding onjuist heeft vastgesteld. Dat daaruit blijkt dat de eerdere behandeling niet het gewenste effect heeft gehad, betekent niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid in de FML van 16 mei 2019 onjuist heeft vastgesteld. In die FML heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in verband met de door de behandelaars van HSK verstrekte informatie van 12 april 2018 en 16 januari 2019 juist aanvullende beperkingen op psychisch gebied vastgesteld.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2021.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) L.R. Kokhuis