Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1297

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
19/576 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:10428, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een WIA-uitkering toe te kennen. Geen sprake van een schending van het beginsel van equality of arms. Er bestaat geen twijfel over de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Geen aanleiding voor het raadplegen van een onafhankelijk deskundige. Er zijn geen aanknopingspunten voor twijfel aan de medische geschiktheid van appellant voor de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 576 WIA

Datum uitspraak: 28 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2018, 17/5890 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.F. Desloover, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, deels door middel van videobellen, plaatsgevonden op 16 april 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Desloover. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als administratief medewerker I voor 35,86 uur per week. Op 20 april 2015 heeft appellant zich ziek gemeld met psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. De arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 maart 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 9 mei 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 17 april 2017 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid van appellant aangescherpt en aanvullende beperkingen op items 1.9.2 (aangewezen op vaste, bekende werkwijzen), 1.9.4 (werk waarbij hij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen), 1.9.8 (werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is), 2.9.1 (samenwerken), 2.12.1 (werk waarin meestal weinig of geen rechtstreeks contact met klanten vereist is) en 4.21.1 (klimmen) opgenomen in een FML van 16 augustus 2017. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 22 augustus 2017 vastgesteld dat daardoor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid niet wijzigt, deze blijft onveranderd 24,87%. Het Uwv heeft in een beslissing op bezwaar van 28 augustus 2017 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 16 augustus 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 22 augustus 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft dat beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant en meer beperkingen had moeten aannemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 16 augustus 2017 uitvoerig en inzichtelijk gemotiveerd op welke punten appellant beperkt is te achten en op welke punten niet. De rechtbank is van oordeel dat de behandelend psychiater in zijn brieven van 2 juli 2018 en 17 augustus 2018 onvoldoende gemotiveerd heeft toegelicht dat de psychische beperkingen van appellant dusdanig zijn dat een urenbeperking noodzakelijk is. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om de vaststelling van de beperkingen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken of een onafhankelijk deskundige te benoemen. Uitgaande van de juistheid van de FML van 16 augustus 2017 is de rechtbank niet gebleken dat de belasting van de geduide functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij niet in staat is fulltime werkzaamheden te verrichten. Volgens appellant heeft psychiater M. de Boo voldoende gemotiveerd dat een fulltime belastbaarheid van appellant niet in overeenstemming is met zijn psychische problematiek. Voorts heeft appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige heeft benoemd en verzoekt hij de Raad dat alsnog te doen. Appellant stelt onvoldoende financiële middelen te hebben om zelf een specialistisch onderzoek te laten verrichten. Appellant heeft nog aanvullende verklaringen van psychiater De Boo van 13 februari 2020 en 14 mei 2020 overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij heeft het Uwv in reactie op de aanvullende informatie van psychiater de Boo aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 maart 2020 en 4 juni 2020 overgelegd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 17 april 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. Hetgeen appellant in zijn hogerberoepschrift en ter zitting heeft aangevoerd is aanleiding om aan de hand van de in de uitspraak van 30 juni 2017 onderscheiden stappen (2 en 3) te beoordelen of sprake is geweest van equality of arms.

Stap 2: equality of arms

4.4.

Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Appellant heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om daartoe medische stukken in te dienen en heeft daarvan ook gebruik gemaakt. De in beroep en hoger beroep overgelegde informatie van psychiater De Boo bevat medische informatie die naar zijn aard geschikt is om twijfel te zaaien aan het oordeel van het Uwv. Deze informatie is kenbaar betrokken bij de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van appellant. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt. Van een schending van het beginsel van equality of arms is dan ook geen sprake, zodat er geen aanleiding is om op die grond een deskundige te benoemen. De vraag of appellant financieel in staat is om de kosten van een psychiatrische (contra-)expertise te dragen, kan daarom buiten beschouwing blijven.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.5.

Wat appellant in hoger beroep verder heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep tegen de medische onderbouwing van het bestreden besluit naar voren heeft gebracht. Deze gronden zijn in de aangevallen uitspraak, zoals weergegeven onder 5 van deze uitspraak, gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.6.

Het standpunt van appellant dat in de FML van 16 augustus 2017 ten onrechte geen urenbeperking is opgenomen wordt niet gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 16 augustus 2017, 2 maart 2020 en 4 juni 2020 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat in de FML met de energetische beperkingen van appellant kenbaar rekening is gehouden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan pas als deze energetische beperkingen vanuit medische optiek niet voldoen, aanvullend een urenbeperking worden gegeven. Daarvoor is dan wel vereist dat er op basis van de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ op energetisch vlak of op preventief vlak een indicatie is om bij appellant een urenbeperking aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat daar in het geval van appellant geen sprake van is. Anders dan appellant heeft gesteld, geven de door appellant overgelegde brieven van psychiater De Boo van 3 mei 2018, 17 augustus 2018, 13 februari 2020 en 14 mei 2020 geen aanleiding tot twijfel over de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Psychiater De Boo heeft als onderbouwing van zijn conclusie dat een urenbeperking noodzakelijk is, gesteld dat daarvan een preventieve werking uitgaat. Naast het feit dat deze onderbouwing zeer summier is, is deze motivering niet consistent nu deze psychiater in eerdere brieven een belastbaarheid van acht uur per dag gedurende vijf dagen voor appellant niet haalbaar heeft geacht. Met de medische informatie van psychiater De Boo heeft appellant daarom niet onderbouwd dat de beperkingen op energetisch gebied dermate ernstig zijn dat de beperkingen in de FML als ontoereikend moeten worden aangemerkt en een urenbeperking geïndiceerd is.

4.7.

Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, wordt geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een onafhankelijk deskundige.

4.8.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de medische geschiktheid van appellant voor de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2021.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.