Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1289

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
19/5242 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-uitkering terecht beëindigd. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5242 WIA

Datum uitspraak: 25 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

7 november 2019, 19/558 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Igdeli, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2020. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich door middel van beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen een nadere toelichting van een verzekeringsarts bezwaar en beroep in te dienen.

Het Uwv heeft een nader rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingebracht, waarop door appellante niet is gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als administratief medewerkster voor 40 uur per week. Op 14 januari 2010 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten, varices en hoofdpijnklachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 12 januari 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is, na bezwaar, vastgesteld op 65-80%. Deze uitkering is vanaf

12 december 2012 omgezet in een WGA-vervolguitkering.

1.2.

Op 15 november 2017 heeft appellante het Uwv verzocht om een herbeoordeling wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van doorgemaakte schildklierkanker. In het kader daarvan heeft appellante op 1 maart 2018 het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Gezien de ernst van de aandoening heeft de arts het aannemelijk geacht dat appellante tijdelijk, vanaf datum ingreep 28 juli 2017 tot 28 februari 2018, marginaal belastbaar was met arbeid. De arts heeft de beperkingen van appellante neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 maart 2018, geldend vanaf 27 juli 2017 tot en met 28 februari 2018. Een arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid in die periode vastgesteld op 100%. Bij besluit van 6 april 2018 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 28 juli 2017 voor 100% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3.

Vanaf 1 maart 2018 is appellante volgens de arts van het Uwv weer belastbaar met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in de FML van 13 maart 2018. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens drie functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 32,64%. Bij besluit van eveneens 6 april 2018 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 7 juni 2018 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 13 december 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 november 2018 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 december 2018 ten grondslag.

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geweest. Er heeft een hoorzitting plaatsgevonden, de dossiergegevens zijn bestudeerd, waarbij kennis is genomen van medische informatie van de behandelend sector, en de artsen van het Uwv hebben appellante onderzocht, waarbij ook aandacht is besteed aan de nek en schouderklachten. Voorts is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de in de FML weergegeven beperkingen. Er zijn met betrekking tot de lichamelijke en psychische klachten diverse beperkingen opgenomen in de FML. Anders dan van de behandelaar, is het de taak, bevoegdheid en specifieke deskundigheid van de verzekeringsartsen om de (arbeids)beperkingen vast te stellen. Appellante heeft in beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten en beperkingen per de datum in geding. De medische informatie van de fysiotherapeut, waarbij appellante in behandeling is voor nek- en schouderklachten, is meegenomen in de beoordeling. Zonder afbreuk te doen aan de klachten van appellante en de invloed die zij hiervan in haar dagelijks leven ervaart, is de rechtbank van oordeel dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust.

2.2.

Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat uitgaande van de FML, de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn te achten. Deze heeft met betrekking tot de signaleringen die in de geduide functies staan vermeld bij beoordelingspunt 1.9.4 een aanvullende motivering gegeven. Hij heeft aangegeven dat er sprake is van een verhoogde afleidbaarheid, maar niet in die mate dat appellante geen enkele afleidende activiteit in haar werkomgeving aan zou kunnen. Alleen als sprake is van extreme voortdurend aanwezige afleidende prikkels zou dit te belastend voor appellante kunnen zijn. Voor de geduide functies geldt dat hiervan geen sprake is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegeven toelichting voor onjuist te houden. Wat betreft de beroepsgond van appellante over de administratieve functies, volgt de rechtbank de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep waarin deze stelt dat de geselecteerde administratieve functies en de maatgevende arbeid niet met elkaar vergelijkbaar zijn. In de maatgevende arbeid was sprake een overschrijding op de aspecten deadlines en conflicthantering, hetgeen kan worden afgeleid uit het rapport van de primaire arbeidsdeskundige van 3 april 2018. Dit is niet het geval in de geduide administratieve functie. Ook qua taken en inhoud zijn de functies niet met elkaar vergelijkbaar. Uit het rapport van de primaire arts volgt dat het in de maatgevende arbeid gaat om taken die bestaan uit het verrichten van administratieve en boekhoudkundige werkzaamheden bij een isolatie- en steigerbouwbedrijf, terwijl het bij de geduide administratieve functie met name gaat om zeer eenvoudige taken zoals het inboeken, registreren en sorteren van inkomende post en het verzorgen van de uitgaande post. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien om appellante te volgen in haar standpunt dat in de geselecteerde functie van productiemedewerker industrie sprake zou zijn van belastende factoren op de beoordelingspunten deadlines en productiepieken (onderdeel 1.9.7) of een hoog handelingstempo (onderdeel 1.9.8). Het CBBS heeft in de bedoelde functie geen signalering gegeven op voornoemde onderdelen. Dit betekent dat er in de functie geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van appellante op deze onderdelen. De voorbeelden die bij onderdelen 1.9.7 en 1.9.8 in de Basisinformatie CBBS staan vermeld en waar appellante in bezwaar naar heeft verwezen, zijn daarom volgens de rechtbank niet van toepassing.

3.1.

Appellante kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen en verzoekt in hoger beroep wat zij in bezwaar en beroep heeft gesteld als herhaald en ingelast te beschouwen. Appellante benadrukt dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest. Zij heeft haar standpunt gehandhaafd dat haar nek- en schouderklachten niet voldoende bij de beoordeling zijn betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat de afwijkingen aan nek en schouders niet uit de overlegde medische stukken zouden blijken. De rechtbank is ten onrechte hierin meegegaan. In de overgelegde informatie van de fysiotherapeut is duidelijk uiteengezet waar appellante voor wordt behandeld en wat haar klachten zijn en dat appellante al voor de datum in geding voor deze klachten werd behandeld. Ook heeft de rechtbank bij haar oordeel niet betrokken dat zij tijdens het onderzoek bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat zij klachten aan nek en schouders heeft en dat het roteren naar rechts moeilijk gaat. De rechtbank heeft ook ten onrechte gesteld dat de fysiotherapeut geen arts is en de informatie om die reden niet meegenomen hoefde te worden. Volgens appellante blijkt ook nergens uit dat de informatie van de fysiotherapeut door het Uwv in de beoordeling is meegewogen. De rechtbank is voorts voorbij gegaan aan het standpunt van appellante dat niet duidelijk is waaruit blijkt dat in de FML ook met de klachten van de spataderen rekening is gehouden. Ook heeft de rechtbank in haar oordeel niet betrokken dat de uitleg die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan punt 1.9.4 van de FML heeft gegeven, niet door de verzekeringsarts is gegeven. Het is de verzekeringsarts die de beperkingen vaststelt. In de FML van 1 maart 2018 is bij punt 1.9.4 opgenomen dat appellante is aangewezen op werk waarbij zij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft echter gesteld dat er sprake is van verhoogde afleidbaarheid, maar dat dit niet in die mate zou zijn dat appellante geen enkel afleidende activiteit in haar omgeving zou aan kunnen. De arbeidsdeskundige is geen arts die een beperking kan en mag vaststellen. De rechtbank had dit punt ook bij haar beoordeling dienen te betrekken. Tot slot heeft appellante benadrukt dat zij al in bezwaar met verwijzing naar het CBBS handboek uiteen heeft gezet dat in de functies ook sprake is van werken met deadlines en werk met hoog handelingstempo. De voorbeelden die het CBBS handboek op deze punten geeft, komen overeen met de werkzaamheden die appellante in de functie productiemedewerker (SBC- code 111180) dient te verrichten. Hier is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geen reactie op gekomen en dus is sprake van onzorgvuldigheid. De rechtbank diende ook dit punt ook bij haar beoordeling te betrekken.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 7 juni 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-uitkering van appellante per die datum heeft beëindigd.

4.3.

Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere medische gronden naar voren gebracht dan in de beroepsprocedure. De overwegingen van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit worden onderschreven. De Raad sluit zich geheel aan bij wat de rechtbank in rechtsoverweging 6.1 tot en met 6.3 van de aangevallen uitspraak heeft overwogen en bij wat het Uwv in verweer in beroep en hoger beroep heeft gesteld over de nek- en schouderklachten van appellante en over de informatie van de fysiotherapeut. Wat betreft het standpunt van appellante dat niet duidelijk is waaruit blijkt dat in de FML ook met de klachten van de spataderen rekening is gehouden, wordt verwezen naar wat de primaire arts daarover in haar rapport van 13 maart 2018 heeft gesteld. Daaruit blijkt dat er voor de spataderen geen beperking meer is opgenomen in de FML voor lopen, traplopen en zitten, omdat bewegen en activatie juist de klachten kunnen verminderen. Dat geldt ook voor het dragen van steunkousen, waardoor de stabelasting ook is toegenomen ten opzichte van de eerdere beoordeling. Appellante heeft in beroep en hoger beroep geen medische informatie overgelegd op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de belastbaarheid op 7 juni 2018, zoals door het Uwv is vastgesteld.

4.4.

. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt evenmin aanleiding gezien om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is goeddeels een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De Raad sluit zich aan bij wat de rechtbank in rechtsoverweging 7.1 tot en met 7.7 van de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Daar wordt het volgende aan toegevoegd.

4.5.

Wat betreft de beroepsgrond van appellante dat de geduide functies een ontoelaatbare overschrijding kennen op aspect 1.9.4 van de FML, omdat de functies plaatsvinden in een fabriekshal of in een werkplaats waar apparaten bediend worden, wat volgens appellante in het handboek CBBS wordt genoemd als voorbeeld van een situatie van een overschrijding, volgt de Raad het Uwv. Verwezen wordt naar het verweerschrift in hoger beroep. Volgens het Uwv heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport voldoende toegelicht dat niet iedere prikkel een afleidende activiteit is zoals in 1.9.4. Daarbij merkt het Uwv op dat in de omschrijving van de functies (met SBC-code 11180 en 267050) nergens te lezen is dat sprake is van (luidruchtige) machines. Wel is sprake van een ruime productiehal met een eigen werktafel en een grote hal met speciale montagetafel met paternosterkast naast de transportband naar de soldeerautomaat. Dat bij alle drie de functies punt 1.9.4 wordt genoemd, betekent volgens het Uwv niet automatisch dat in de functies sprake is van afleiding door activiteiten van anderen. Desgevraagd heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 22 januari 2021 nader toegelicht dat bij onderzoek destijds geen sterk verhoogde prikkelbaarheid of afleidbaarheid is vastgesteld. Prikkels die al te opdringerig zijn of binnenkomen, kunnen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep gezien worden als aanleiding voor een verstoring of ontregeling. In de geselecteerde functies is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen sprake van prikkels die onder voornoemd criterium vallen. Gelet op deze nadere toelichting, in samenhang met de al in het resultaat functiebeoordeling en de in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegeven toelichting, is voldoende gemotiveerd dat en waarom er geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van appellante op item 1.9.4 in de geselecteerde functies.

4.6.

Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Nu het Uwv pas in hoger beroep een volledige toereikende nadere onderbouwing heeft gegeven voor wat betreft item 1.9.4, leidt dit tot de conclusie dat het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, zoals artikel 7:12 eerste lid, van de Awb. Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.

6. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 534,- voor verleende rechtsbijstand in beroep ( 1 punt voor het beropschrift) en € 534,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift), in totaal € 1.068,-. Ook wordt bepaald dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.068,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 175,-vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2021.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) B.V.K. de Louw