Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1282

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
18/1802 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft op goede gronden geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering. Geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van vaststelling van de beperkingen van appellante. De arbeidsdeskundige heeft toereikend en inzichtelijk gemotiveerd waarom de functies voor appellante geschikt moeten worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/1802 WIA

Datum uitspraak: 25 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

22 februari 2018, 17/2249 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C. Coenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als horecamedewerkster voor 29,84 uur per week. Na beëindiging van dit werk is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 1 augustus 2005 heeft appellante zich ziek gemeld vanwege psychische klachten. Na het bereiken van het einde van de zogenoemde wachttijd is zij per 30 juli 2007 niet in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering, omdat zij op dat moment minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Op 27 januari 2012 heeft appellante zich opnieuw arbeidsongeschikt gemeld wegens toegenomen psychische klachten. Zowel per 27 januari 2012 als per 24 januari 2014 (het einde van de wachttijd) is eiseres opnieuw minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht en niet in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering. Op 1 september 2016 heeft eiseres zich opnieuw arbeidsongeschikt gemeld.

1.2.

Bij besluit van 21 december 2016 is aan appellante met ingang van 1 september 2016 een loongerelateerde uitkering toegekend en bij besluit van eveneens 21 december 2016 is deze uitkering beëindigd met ingang van 22 februari 2017.

1.3.

Bij ongedateerde brief, door het Uwv ontvangen op 2 februari 2017, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 21 december 2016.

1.4.

Bij besluit van 21 februari 2017 heeft het Uwv het besluit met betrekking tot de beëindigingsdatum gewijzigd en aan appellante meegedeeld dat de loongerelateerde uitkering met ingang van 3 april 2017 zal worden beëindigd.

1.5.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 21 december 2016 aangemerkt als bezwaar tegen zijn besluit van 21 februari 2017 en dat bezwaar bij besluit van 25 juli 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante onjuist heeft ingeschat. Het Uwv is ermee bekend dat appellante psychische klachten heeft en de rechtbank heeft geen reden aan te nemen dat het Uwv de hiermee verband houdende (objectiveerbare) beperkingen heeft onderschat. In zijn rapportage van 18 juli 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd uiteengezet waarom hij vindt dat er geen sprake is van geen benutbare mogelijkheden bij appellante. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan deze conclusie. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in beroep informatie van diverse behandelaars overgelegd, waaronder een brief van psychiater A. Beeftink van 5 april 2017, een brief van de GGzE van 1 december 2016, een brief van psychiater I. Hermus van 17 juli 2017 en een tweetal brieven van huisarts J.E. Snoek van 22 november 2017 en 1 december 2017. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierop gereageerd door aan te geven dat uit de desbetreffende stukken niet blijkt dat appellante psychotisch is of dat sprake is van suïcidaliteit of een psychotisch of depressief toestandsbeeld. Dat appellante paranoïde gedachten heeft is duidelijk, maar tot een werkelijk psychotische ontregeling is het de laatste jaren niet meer gekomen. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de geduide functies voor appellante niet geschikt zijn. De zogeheten signaleringen zijn van een afdoende adequate toelichting voorzien en voor zover appellante functies niet geschikt acht omdat zij niet in grote groepen kan werken, stelt de rechtbank vast dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aangegeven dat en gemotiveerd waarom het werken in grote groepen bij deze functies niet aan de orde is.

3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij als gevolg van haar klachten niet in staat is de geduide functies te verrichten. Zij heeft er met name op gewezen dat de waanstoornis met paranoïde karakter invloed heeft op het sociaal en persoonlijk functioneren. Het isolement waarin zij verkeert, zal door zorgmijding blijven bestaan. De klachten waarmee appellante in september 2016 is opgenomen, speelden ook nog in december 2016 toen de opname eindigde. In een jaar tijd heeft appellante meermalen te maken gehad met crisisdiensten, psychotische episoden en suïcidale gedachten. Van benutbare mogelijkheden is daarom geen sprake. Voor zover daarvan wel sprake is, zijn in de FML op enkele punten onvoldoende beperkingen aangenomen. Appellante heeft daarbij gewezen op het vasthouden en verdelen van aandacht, emotionele problemen van anderen hanteren, samenwerken en de omgang met collega’s. Verder heeft zij aangevoerd dat zij niet (veilig) kan reizen en dat zij niet in staat is 8 uur per dag en 40 uur per week te werken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de Raad een deskundige moet benoemen. Over de geduide functies heeft appellante naar voren gebracht dat de functie samensteller kunststof en rubberproducten voor haar niet geschikt is omdat zij dan in een groep van vijf personen moet werken in een grote fabriekshal. De functie samensteller elektronische apparatuur is niet geschikt, omdat onduidelijk is hoe groot de groep is waarin moet worden gewerkt. In de functie archiefmedewerker is sprake van een te hoge contactuele belasting omdat collega’s elkaar dan in voorkomende gevallen moeten helpen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is het oordeel van de rechtbank dat het Uwv op goede gronden heeft geweigerd appellante met ingang van 3 april 2017 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

4.3.

Wat in hoger beroep is aangevoerd is voor een groot deel een herhaling van wat in beroep is aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden gewogen en daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. Uit het hogerberoepschrift blijkt niet waarom de beoordeling van die gronden niet juist zou zijn. De Raad onderschrijft op hoofdlijnen de overwegingen die tot het oordeel van de rechtbank hebben geleid. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.

Appellante heeft – ook ter zitting – benadrukt dat zij in 2016 en 2017 vooral heeft geleden onder de psychische problemen die zij toen heeft gehad. Zij was kwetsbaar en had last van een waanstoornis. Zij was, zoals zij het zelf omschreef van haar voeten afgeslagen door een inval in haar huis, waardoor zij in haar integriteit is aangetast. Zij was kwaad en verdrietig over wat haar was aangedaan. Het contact met haar familie heeft zij in deze periode verloren. Zij heeft er bewust voor gekozen om haar vrijheid te behouden en weigerde daarom medicatie. In haar eigen beleving heeft appellante in 2017 wel last gehad van psychotische verschijnselen, maar ‘echt psychotisch’ is zij niet geweest.

4.5.

Het Uwv heeft de onder 4.4 beschreven problemen erkend en daaraan ook aandacht besteed bij de vaststelling van de beperkingen van appellante zoals mede blijkt uit de “Medische rapportage inde beroepsprocedure” van 20 september 2017 en 9 oktober 2017. Zowel (naderhand) in beroep als in hoger beroep zijn geen medische stukken ingediend waaruit blijkt dat deze problemen, hoewel onmiskenbaar leidend tot beperkingen, op de datum hier in geding ernstiger waren dan het Uwv heeft aangenomen. Bij zijn standpuntbepaling heeft het Uwv de beschikbare medische informatie destijds ook betrokken. Dat appellante de vrijheid heeft willen nemen om op haar eigen manier “zichzelf terug te vinden” betekent niet dat zij in de periode waarin zij daar mee bezig was meer beperkt had moeten worden geacht dan in de FML is aangenomen. Daarbij is ook van belang dat appellante zelf heeft gezegd dat zij niet psychotisch of suïcidaal was, zoals ook de crisisdienst heef vastgesteld.

4.6.

Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft, mede gelet op wat is overwogen onder 4.5, geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van vaststelling van de beperkingen van appellante die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. De door appellante ingebrachte medische informatie geeft geen aanleiding tot twijfel hieraan. Omdat er geen twijfel is over de medische beoordeling, is er geen aanleiding een deskundige te benoemen. De uitspraak van de Raad van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, waarop appellante heeft gewezen, werpt daarop geen ander licht.

4.7.

De stelling van appellante dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn omdat daarin onvoldoende rekening wordt gehouden met haar beperkingen voor het werken in groepsverband en de mogelijkheden voor contactuele belasting wordt niet gevolgd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toereikend en inzichtelijk gemotiveerd waarom de functies voor appellante geschikt moeten worden geacht. In de geselecteerde functies wordt, anders dan appellante heeft aangenomen, niet gewerkt in grote groepen, is geen sprake van drukke werkplekken en de samenwerking vindt daarnaast plaats in eigen, afgebakende, deeltaken, zonder hoge contactuele belasting. Van het intensief werken in teamverband, waarvan wordt onderkend dat appellante dat niet kan, is in deze functies geen sprake. Appellante heeft niets aangevoerd dat doet twijfelen aan de juistheid van deze motivering.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2021.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd te ondertekenen.