Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1270

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
19/950 BBZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:264, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsverlening aan zelfstandige. Kosten levensonderhoud. Definitieve vaststelling. Gedeeltelijk omzetten geldlening in bijstand om niet. Geen rekening te houden met fiscale aftrekposten. Geen geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel. Het college heeft een deel van de als geldlening verstrekte bijstand voor kosten van levensonderhoud op grond van het Bbz 20014 omgezet naar bijstand om niet en voor het resterend deel de geldlening gehandhaafd. Op grond van het Bbz 2004 wordt voor het inkomensbegrip aangesloten bij het inkomensbegrip van de PW en niet bij het fiscale inkomensbegrip. Er wordt geen rekening gehouden met fiscale aftrekposten. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar bij de verlening van bijstand is toegezegd dat met de verlening van bijstand geen nieuwe schulden zouden ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 950 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 1 juni 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 januari 2019, 18/3141 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A.A. van Tongeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 20 april 2021. Namens appellante is verschenen mr. Van Tongeren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Huberts.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is op 1 november 2014 begonnen als zelfstandige.

1.2.

Bij besluiten van 18 augustus 2015 en 23 februari 2016 heeft het college aan appellante bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) toegekend voor de kosten van levensonderhoud in de vorm van een renteloze geldlening voor de periode van 9 juni 2015 tot en met 8 juni 2016.

1.3.

Bij brief van 28 november 2016 heeft het college appellante verzocht om diverse financiële stukken te verstrekken om het recht op bijstand over 2015 definitief te kunnen vaststellen. Appellante heeft die gegevens overgelegd.

1.4.

Bij besluit van 30 oktober 2017 (besluit 1) heeft het college de aan appellante over de periode van 9 juni 2015 tot en met 31 december 2015 verleende bijstand, een bedrag van € 5.971,97, als renteloze lening gehandhaafd. Bij besluit van 14 november 2017 (besluit 2) heeft het college dit bedrag van € 5.971,97 van appellante teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 5 april 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante gegrond verklaard omdat appellante ten onrechte als startende ondernemer was aangemerkt. Het college heeft een bedrag van € 4.189,57 omgezet in bijstand om niet en een bedrag van € 1.782,40 van appellante teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, omdat het college bij de definitieve vaststelling ten onrechte rekening had gehouden met een verkort boekjaar. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Uitgaande van een winst in 2015 van € 11.687,- en na toepassing van de verlaging bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Bbz 2004 heeft de rechtbank het netto-inkomen vastgesteld op € 9.349,-. Met zowel deze inkomsten als de ontvangen bijstand had appellante over 2015 een bedrag van € 1.858,55 aan inkomsten boven de door de rechtbank vastgestelde jaarnorm van € 13.462,42 ontvangen. Dat bedrag aan inkomsten boven de jaarnorm is hoger dan het bedrag van € 1.782,40 dat het college bij het bestreden besluit heeft teruggevorderd. Omdat appellante niet in een slechtere positie mag worden gebracht, heeft de rechtbank het terugvorderingsbedrag van het bestreden besluit gehandhaafd.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft allereerst aangevoerd dat het nettoinkomen niet juist is berekend omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met een MKB-vrijstelling en met de zelfstandigenaftrek.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de vaststelling van het netto-inkomen in artikel 1, aanhef en onder e, van het Bbz 2004 wordt voor de bepaling van het netto-inkomen aangesloten bij het inkomstenbegrip van de PW en niet bij het fiscale inkomstenbegrip. Dit betekent dat bij de vaststelling van het netto-inkomen geen rekening wordt gehouden met eventuele fiscale aftrekposten. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1716.

4.3.

Appellante heeft verder aangevoerd dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door een deel van de verleende bijstand als renteloze lening te handhaven en niet om te zetten in bijstand om niet. Volgens appellante heeft het college haar bij het toekennen van de verleende bijstand meegedeeld dat zij hierdoor geen nieuwe schulden zou opbouwen.

4.4.

Ook deze grond slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559. Appellante heeft de door haar gestelde toezegging niet aannemelijk gemaakt. Voor de stelling dat een behandelend ambtenaar in het kader van de aanvraag heeft gezegd dat met de toekenning van de bijstand geen nieuwe schulden zouden ontstaan, ontbreekt ieder aanknopingspunt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar een toezegging is gedaan. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de vraag of appellante het toekenningsbesluit – waarin wordt uitgelegd dat de bijstand wordt verstrekt in de vorm van een renteloze lening en dat aan het einde van het boekjaar een definitieve vaststelling zal plaatsvinden, waarbij de bijstand hetzij om niet wordt verleend, hetzij geheel of gedeeltelijk wordt teruggevorderd – heeft ontvangen.

4.5.

Uit 4.2 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2021.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) B. Beerens