Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1269

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
18/3495 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken hoger beroep. Laten vervallen van een aan de bijstand verbonden verplichting. Niet tegemoetgekomen aan appellante. Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling. De omstandigheid dat het dagelijks bestuur de aan de bijstand, op grond van artikel 55 van de PW, verbonden verplichting om een hoger alimentatiebedrag van de ex-partner te eisen heeft laten vervallen, betekent niet dat het dagelijks bestuur appellante tegemoet is gekomen. De opgelegde verplichting is niet met terugwerkende kracht ingetrokken maar pas vervallen nadat appellante een tremanormberekening heeft verstrekt aan het dagelijks bestuur. Er is geen sprake van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/387
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3495 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 1 juni 2021

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 mei 2018, 17/4277 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. el Hannouche, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 20 september 2019 heeft mr. El Hannouche namens appellante het hoger beroep ingetrokken en de Raad verzocht het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten.

Het dagelijks bestuur heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Appellante heeft gereageerd op het verweerschrift van het dagelijks bestuur.

Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

De vraag ligt voor of het dagelijks bestuur geheel of gedeeltelijk aan appellante is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb.

Bij besluit van 4 juli 2017 heeft het dagelijks bestuur aan appellante op grond van artikel 55 van de Participatiewet (PW) de verplichting opgelegd om bij haar ex-partner een hoger bedrag aan kinder- en partneralimentatie op te eisen door een alimentatieprocedure te laten starten bij de rechtbank, waarbij het te eisen alimentatiebedrag in overeenstemming moet zijn met de ‘tremanormen’. In het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur de verplichting gehandhaafd en aan appellante te kennen gegeven dat als uit een goed onderbouwde, door een advocaat opgestelde, tremanormberekening (berekening) blijkt dat haar ex-partner geen draagkracht heeft voor het betalen van een hogere alimentatie, appellante deze berekening ook ter beoordeling aan het dagelijks bestuur kan voorleggen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Op 27 maart 2019 heeft appellante een door een advocaat opgestelde berekening aan het dagelijks bestuur overgelegd. Het dagelijks bestuur heeft daarna bij besluit van 1 mei 2019 het alimentatiebedrag dat op de maandelijkse bijstand in mindering wordt gebracht vanaf 1 april 2019 vastgesteld op het bedrag dat de ex-partner volgens deze berekening aan alimentatie kon betalen.

Het dagelijks bestuur heeft te kennen gegeven dat met het besluit van 1 mei 2019 de berekening is geaccepteerd en dat de opgelegde verplichting is komen te vervallen.

Vervolgens heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en het nu ter beoordeling voorliggende verzoek gedaan om het dagelijks bestuur in de kosten van de procedure te veroordelen.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, betekent de omstandigheid dat de verplichting is komen te vervallen niet dat het dagelijks bestuur geheel of gedeeltelijk aan haar tegemoet is gekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Hiertoe is van belang dat de op 4 juli 2017 opgelegde verplichting niet met terugwerkende kracht is ingetrokken maar pas is komen te vervallen nadat appellante op 27 maart 2019 gebruik had gemaakt van de in het bestreden besluit gegeven mogelijkheid om een tremanormberekening aan het dagelijks bestuur ter beoordeling voor te leggen. Het verzoek om een proceskostenveroordeling dient dan ook te worden afgewezen, omdat geen sprake is van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante af.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2021.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) R.B.E. van Nimwegen