Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1266

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
19/3790 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij wijze van maatregel verlagen bijstand. Geüniformeerde maatregel. Niet behouden arbeid. Afgewezen bijzondere bijstand voor bril. Herhaling van gronden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant de verplichting in artikel 18 lid 4 onder a van de PW niet is nagekomen. Hij is vanwege ongeoorloofd verzuimd op staande voet ontslagen en heeft zijn ontslag niet aangevochten. Aan de verlening van bijzondere bijstand staat een voorliggende, passende en toereikende voorziening in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3790 PW, 20/1299 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 25 mei 2021

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 augustus 2019, 19/1307 (aangevallen uitspraak 1) en 21 februari 2020, 19/5357 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] en [Appellante] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. I.P.M.J. Nelemans, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2021. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Nelemans. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen sinds 1 augustus 2012 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Zij hebben samen vijf kinderen.

1.2.

Bij besluit van 30 november 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 februari 2019 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellanten verlaagd met 50% over de periode van 1 december 2018 tot en met 31 januari 2019. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende heeft meegewerkt aan het behouden van arbeid in dienstbetrekking. Appellant is op 12 oktober 2018 ontslagen uit zijn dienstbetrekking bij de [werkgever], omdat hij ongeoorloofd afwezig is geweest.

1.3.

Appellant heeft op 7 maart 2019 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een bril ten bedrage van € 1.047,-. Appellant heeft daarbij te kennen gegeven dat hij de bril heel hard nodig heeft omdat zijn zicht achteruit is gegaan.

1.4.

Bij besluit van 12 april 2019, na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 19 september 2019 (bestreden besluit 2) heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) op grond van vaste rechtspraak als passende en toereikende voorliggende voorziening wordt aangemerkt. Het college heeft in afwijking van deze rechtspraak beleid waarbij wordt gekeken of maatwerk kan worden geleverd. In het geval van appellant vergoedt de aanvullende zorgverzekering één volledige bril per drie jaar als appellant die koopt bij een gecontracteerde opticien. Omdat appellant zijn bril bij een andere opticien heeft gekocht, vergoedt de verzekeraar maar € 150,-. Op de vraag van het college om uit te leggen waarom hij niet naar een gecontracteerde opticien is gegaan of aan te tonen dat de zorgverzekering niet bereid is een volledige bril van een gecontracteerde opticien te vergoeden, heeft appellant niet gereageerd. Van zeer dringende redenen om de kosten toch te vergoeden is niet gebleken.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat vaststaat dat appellant op 1 september 2018 een arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 jaar is aangegaan met [werkgever] en dat hij per 12 oktober 2018 op staande voet is ontslagen. In de ontslagbrief van 19 oktober 2018 staat dat appellant is ontslagen omdat hij vanaf 12 oktober 2018 zonder iets te laten weten, en daardoor ongeoorloofd, afwezig is geweest. De werkgever heeft hem meerdere keren gesommeerd langs te komen om diverse zaken te bespreken, maar appellant heeft niet gereageerd en is voor de werkgever niet meer bereikbaar geweest. Appellant heeft het ontslag op staande voet niet juridisch aangevochten en de daaraan ten grondslag liggende omstandigheden niet betwist. Het lag op zijn weg om dat te doen. Op dat punt ligt geen taak voor het college. Appellant heeft zijn stellingen in bezwaar dat hij vanwege medische klachten niet in staat was te werken en zich bij zijn werkgever ziek heeft gemeld, op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellant, doordat het aan hem te wijten is dat hij zijn baan bij [werkgever] niet heeft behouden, de verplichting bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, van de PW niet is nagekomen. Het college heeft de bijstand dan ook op goede gronden en overeenkomstig de Verordening verlaagd. Van enige toezegging dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen gevolgen voor zijn bijstand zou hebben, zoals door appellant is betoogd, is de rechtbank niet gebleken.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat volgens vaste rechtspraak als uitgangspunt geldt dat de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering voor de kosten van brillenglazen en contactlenzen een aan de PW voorliggende toereikende en passende voorziening is. Door de wetgever is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten van brillenglazen en contactlenzen, zodat (aanvullende) bijzondere bijstandsverlening niet aan de orde is. Gelet op deze rechtspraak en op artikel 15 van de PW, bestaat voor het college in beginsel geen ruimte om bijzondere bijstand te verstrekken voor de kosten van de aanschaf van een bril.

De rechtbank onderschrijft het standpunt van het college dat appellant ook op grond van het door de gemeente gevoerde beleid geen recht heeft op bijzondere bijstand. Appellant heeft op gerichte vragen van het college niet gereageerd.

3. Appellanten hebben in hoger beroep het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraken bestreden. Appellanten hebben voor de gronden in hoger beroep verwezen naar de gronden in beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hoger beroepsgronden vormen in essentie een herhaling van de gronden die appellanten in eerste aanleg hebben aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken deze gronden besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze niet kunnen slagen. Appellanten hebben niet uiteengezet waarom zij de overwegingen van de rechtbank niet juist achten. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust. De Raad voegt daar voor wat betreft aangevallen uitspraak 1 nog het volgende aan toe.

4.2.

Ter zitting hebben appellanten een beroep gedaan op artikel 18, tiende lid, van de PW. Gelet op hun sociale en financiële omstandigheden doen zich dringende redenen voor die het college aanleiding hadden moeten geven de opgelegde maatregel af te stemmen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft door de geüniformeerde maatregel van verlaging van de bijstand met 100% gedurende één maand te effectueren als een verlaging van 50% gedurende twee maanden, voldoende rekening gehouden met de financiële en gezinsomstandigheden van appellanten. Dit betekent dat de hoger beroepen niet slagen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2021.

(getekend) M. Hillen

(getekend) B. Beerens