Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
19/2079 WW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; herroept het boetebesluit van 12 september 2017; stelt het bedrag van de boete vast op € 2.733,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van 20 november 2017; veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.068,-.

Bij besluit van 12 september 2017 heeft het Uwv aan betrokkene een boete opgelegd van € 5.467,- wegens schending van haar inlichtingenverplichting. Bij beslissing op bezwaar van 20 november 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het Uwv opgedragen om binnen vier weken nadat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak en bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. De Raad is van oordeel dat betrokkene de schending van de inlichtingenverplichting slechts in verminderde mate kan worden verweten. Daarbij is van belang dat de schending een gevolg is van een eenmalige fout te wijten aan onachtzaamheid van betrokkene. Naast de overige ter zitting besproken omstandigheden, is tot slot van belang dat het Uwv in het bestreden besluit van 20 november 2017 de overtreding zelf als een lichte overtreding heeft aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2079 WW-PV, 19/2828 WW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 maart 2019, 17/8211 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 12 mei 2021

Zitting hebben: H.G. Rottier als voorzitter en J.P.M. Zeijen en G.A.J. van den Hurk als leden

Griffier: A.L.K. Dagmar

Ter zitting zijn verschenen: mr. W.M.L. Clemens voor het Uwv, betrokkene en haar gemachtigde mr. J.A.J. Hooymayers, advocaat

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    herroept het boetebesluit van 12 september 2017;

  • -

    stelt het bedrag van de boete vast op € 2.733,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre

in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van 20 november 2017;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Bij besluit van 12 september 2017 heeft het Uwv aan betrokkene een boete opgelegd van € 5.467,- wegens schending van haar inlichtingenverplichting. Bij beslissing op bezwaar van 20 november 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het Uwv opgedragen om binnen vier weken nadat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak en bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door het Uwv niet op de hoogte te stellen van het feit dat zij in de periode van 2 januari 2017 tot en met 30 juni 2017 herhaaldelijk in Frankrijk heeft verbleven anders dan wegens vakantie. Het Uwv heeft zich, kort samengevat, in hoger beroep gekeerd tegen de opdracht van de rechtbank om – met in achtneming van de uitspraak – de boete opnieuw vast te stellen. Betrokkene heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en aangevoerd dat de overtreding van de inlichtingenplicht haar slechts in geringe dan wel in verminderde mate kan worden verweten.

4. De Raad is van oordeel dat betrokkene de schending van de inlichtingenverplichting slechts in verminderde mate kan worden verweten. Daarbij is van belang dat de schending een gevolg is van een eenmalige fout te wijten aan onachtzaamheid van betrokkene. Betrokkene is bovendien ruim twintig jaar werkzaam geweest op de internationale arbeidsmarkt en heeft ook in diverse landen buiten Nederland gewerkt hoewel haar standplaats Nederland was. Nadat zij werkloos is geworden, heeft zich bij het zoeken van werk ook gericht op de internationale arbeidsmarkt, met name in Frankrijk. Naast de overige ter zitting besproken omstandigheden, is tot slot van belang dat het Uwv in het bestreden besluit van 20 november 2017 de overtreding zelf als een lichte overtreding heeft aangemerkt. De boete wordt daarom vastgesteld op 25/75 * € 8.200,-, zijnde € 2.733,-.

5. Ter zitting is gebleken dat betrokkene de boete van € 5.467,- al heeft betaald, zodat het Uwv het door betrokkene teveel betaalde bedrag zal moeten terugbetalen.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) A.L.K. Dagmar (getekend) H.G. Rottier