Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1261

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
20/2612 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderdomspensioen voor ongehuwde pensioengerechtigde terecht herzien naar ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde. Het betoog van appellant dat de Svb bij het huisbezoek een cautie had moeten geven, treft geen doel. De verplichting om in bepaalde gevallen de cautie te geven is neergelegd in artikel 5:10a van de Awb. De Raad merkt nog op dat niet in geschil is dat de Svb aan appellant geen boete heeft opgelegd en dat er dus ook geen andere procedure is waarin deze ter beoordeling voor ligt. Er is dus geen sprake geweest van een “criminal charge.”

Uit de feiten en omstandigheden blijkt niet dat appellant in de periode in geding duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote in de zin van artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW, zodat hij voor de toepassing van die wet niet is aan te merken als ongehuwde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2612 AOW

Datum uitspraak: 28 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

15 juni 2020, 19/1276 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.C. Scheermeijer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Svb heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl-de Bruin.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op [trouwdatum] 2008 gehuwd met [naam echtgenote] (echtgenote). De echtgenote van appellant woont op de Filipijnen. Appellant heeft vanaf [datum] 2013

een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde pensioengerechtigde ontvangen. Hierbij is de Svb er van uitgegaan dat sprake was een situatie van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.

1.2.

De Svb heeft in het kader van het project duurzaam gescheiden leven een onderzoek ingesteld naar het ouderdomspensioen van appellant. Het betreft een onderzoek naar de leefsituatie, zonder aanleiding of signaal, gericht op het vaststellen van de rechtmatigheid van verstrekte uitkeringen aan een vooraf gedefinieerde groep van AOW (en/of AIO)gerechtigden die "duurzaam gescheiden leven." Naar aanleiding van de resultaten van dat onderzoek heeft de Svb bij besluit van 24 september 2018, gehandhaafd bij besluit van 1 februari 2019 (bestreden besluit), het ouderdomspensioen van appellant met ingang van 1 oktober 2018 herzien naar een ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde. Hieraan is ten grondslag gelegd dat uit wat appellant op 13 september 2018 tijdens het huisbezoek heeft verklaard over zijn leefsituatie en uit hetgeen tijdens het huisbezoek is vastgelegd in het door appellant ondertekende formulier Onderzoek duurzaam gescheiden leven, blijkt dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op de door appellant aangedragen feiten en omstandigheden, ten tijde van belang geen sprake is van een situatie waarin ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt van duurzaam gescheiden leven.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat aan hem voorafgaand aan het huisbezoek geen cautie is gegeven. Volgens appellant had aan het horen tijdens het huisbezoek redelijkerwijs de gevolgtrekking kunnen worden verbonden dat hem een boete kon worden opgelegd. Daarbij wijst appellant erop dat hij zich niet bewust was van de mogelijke gevolgen van het huisbezoek en hij daardoor sociaal wenselijke antwoorden heeft gegeven. Appellant is dan ook van mening, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM van 3 mei 2001, J.B. tegen Zwitserland, nr. 31827/96, dat de verklaring die hij tijdens het huisbezoek heeft afgelegd niet mag worden gebruikt. Verder is aangevoerd dat appellant wel duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Er is sprake van een bestendige toestand van verbroken samenleving, omdat hij zijn echtgenote vanaf de huwelijksdatum maar 49 dagen heeft gezien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Cautie

4.1.

Naar aanleiding van het betoog van appellant dat de Svb bij het huisbezoek van 13 september 2018 een cautie had moeten geven, wordt het volgende overwogen.

4.2.

De verplichting om in bepaalde gevallen de cautie te geven is neergelegd in artikel 5:10a van de Awb. Het eerste lid bepaalt dat degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, niet verplicht is ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. In het tweede lid is geregeld dat de betrokkene wordt gewaarschuwd: voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.

4.3.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 november 2011(ECLI:NL:CRVB:2011:BU6392) wordt over artikel 5:10a van de Awb als volgt overwogen. In een onderzoek dat er uitsluitend op is gericht om vast te stellen of en zo ja in welke omvang recht op uitkering bestaat, is er geen aanleiding voor de Svb om een uitkeringsgerechtigde te benaderen als ware deze een verdachte van overtreding van artikel 49 van de AOW. Onder die omstandigheden bestaat er in die fase van het onderzoek dan ook geen aanleiding om aan de uitkeringsgerechtigde de bescherming en waarborgen te bieden die aan een verdachte in strafrechtelijke zin toekomen. In dat verband geldt in die fase dan ook niet het in artikel 5:10a van de Awb neergelegde recht om geen verklaringen af te leggen en is er ook geen verplichting van de Svb om een uitkeringsgerechtigde op dat recht te wijzen. Dat zou ook niet overeenkomen met de in artikel 49 van de AOW neergelegde verplichting om – onder omstandigheden spontaan en onverwijld – inlichtingen te verstrekken.

4.4.

Het onderzoek van de Svb op 13 september 2018 was gericht op de beoordeling van de rechtmatigheid van het ouderdomspensioen van appellant. Dat appellant voorafgaand aan het gesprek van 13 september 2018 niet is gewezen op het in artikel 5:10a Awb neergelegde recht om geen verklaring af te leggen, brengt gelet op hetgeen in 4.3 is overwogen, niet mee dat de Svb de in dat onderzoek van appellant verkregen informatie niet mocht gebruiken voor de vaststelling van de omvang van het recht op ouderdomspensioen.

4.5.

Appellant heeft zich uitdrukkelijk beroepen op een arrest van het EHRM. Naar het oordeel van de Raad werpt de rechtspraak van het EHRM geen ander licht op de zaak. Het EHRM erkent het recht op de hoogte te worden gesteld van het zwijgrecht als sprake is van een “charge with a criminal offence” of van een “suspect” maar het niet meedelen daarvan is niet altijd onoverkomelijk. Diverse factoren wegen mee waaronder de vraag of het verkregen bewijs ten grondslag is gelegd aan de veroordeling (zie o.a. EHRM 13 september 2016, Ibrahim e.a. t. V.K., nr. 50541/08 e.a., par. 272 e.v.). De Raad is van oordeel dat waar sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de uitkeringsgerechtigde (wilsafhankelijk materiaal) zoals verklaringen – onder verwijzing naar EHRM 17 december 1996, Saunders tegen V.K., nr. 19187/91 en EHRM 3 mei 2001, J.B. tegen Zwitserland, nr. 31827/96 en in het voetspoor van het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2144) – het volgende geldt. Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen ten behoeve van de vaststelling van het recht op uitkering. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal ook in verband met een “criminal charge” tegen de uitkeringsrechtigde zal worden gebruikt, zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de uitkeringsrechtigde zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter die oordeelt over de “criminal charge” in de vereiste waarborgen te voorzien.

4.6.

In dit geding ligt alleen een besluit tot herziening van het recht op uitkering per toekomstige datum voor. Een boetebesluit ligt niet ter beoordeling voor. Om die reden is er geen aanleiding om de verklaring van appellant die hij tijdens het huisbezoek heeft afgelegd, in dit geding buiten beschouwing te laten. De verklaring van appellant wordt in het hiernavolgende dan ook betrokken. De Raad merkt nog op dat niet in geschil is dat de Svb aan appellant geen boete heeft opgelegd en dat er dus ook geen andere procedure is waarin deze ter beoordeling voor ligt. Er is dus geen sprake geweest van een “criminal charge.”

Duurzaam gescheiden leven

4.7.

In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat op 1 oktober 2018 geen sprake was van een situatie van duurzaam gescheiden leven tussen appellant en zijn echtgenote.

4.8.

Artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW bepaalt dat als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4.9.

Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld. Verder is in de rechtspraak tot uitdrukking gebracht dat in het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben een echtelijke samenleving – al dan niet op termijn – aan te gaan, maar dat het niet is uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.

4.10.

Voor duurzaam gescheiden leven is niet doorslaggevend of de echtgenoten al dan niet samenwonen. Bepalend is, gelet op wat in 4.9 is overwogen, of de echtelijke samenleving al dan niet verbroken is of niet is ontstaan. Die echtelijke samenleving kan bestaan zonder dat van (voortdurend) samenwonen sprake (ECLI:NL:CRVB:2013:BY8134).

4.11.

In dit geding dient de situatie op 1 oktober 2018 beoordeeld te worden. Uit de gedingstukken, waaronder de verklaringen van appellant, blijkt dat sprake was van regelmatig contact tussen appellant en zijn echtgenote, van financiële betrokkenheid en van een zeker mate van zorg. Zo had appellant dagelijks chatcontact met zijn echtgenote over haar kinderen. Daarbij kwam ook de rechtszaak aan de orde die appellant op de Filipijnen voert over een zakelijk geschil. De echtgenote van appellant is in de rechtszaak zijn wettelijke vertegenwoordiger, wat op zichzelf wijst op een zekere mate van zorg. Ook weegt mee dat appellant zijn echtgenote een bankpas heeft gegeven van zijn rekening. Op die rekening staat geen vast saldo maar appellant maakte ten tijde in geding geld over naar die rekening voor de scholing van de kinderen van zijn echtgenote en voor de rechtszaak. De echtgenote kon met de bankpas het geld op de Filipijnen opnemen. Appellant heeft verder meerdere keren, ook ter zitting van de Raad, verklaard dat de verhuisdozen voor een vertrek naar zijn echtgenote op de Filipijnen tijdens het huisbezoek al geruime tijd klaar stonden maar dat door de rechtszaak hem de financiën ontbreken om zich bij haar te voegen. Deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien brengen met zich dat geen sprake was van duurzaam gescheiden leven. Dat appellant zijn echtgenote vanaf 2014 niet meer heeft gezien, alleen woont en zich naar buiten toe presenteert als noodgedwongen alleenstaand, kan aan deze conclusie niet afdoen.

4.12.

Uit de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in 4.11 blijkt niet dat appellant in de periode in geding duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote in de zin van artikel 1, derde lid, onder b, van de AOW, zodat hij voor de toepassing van die wet niet is aan te merken als ongehuwde. Nu appellant op 1 oktober 2018 geen recht had op een ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde, was de Svb gehouden dit ouderdomspensioen te herzien naar dat voor een gehuwde pensioengerechtigde.

4.13.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2021.

(getekend) E.E.V. Lenos

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.