Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1255

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
20/699 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag nabestaandenuitkering terecht afgewezen. De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor een nabestaandenuitkering omdat appellante de pensioengerechtigde leeftijd voor de AOW al had bereikt op de dag van het overlijden van de haar echtgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 699 ANW

Datum uitspraak: 28 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2019, 19/2686 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] , Tunesië (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam A. ] hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

In zijn uitspraak van 17 september 2020 heeft de Raad het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante verzet ingesteld.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 23 december 2020, het verzet van appellante tegen de uitspraak van 17 september 2020 gegrond verklaard en de Svb veroordeeld in de proceskosten van het verzet. Met de gegrondverklaring van het verzet is de uitspraak van 17 september 2020 vervallen.

Bij e-mailbericht van 15 april 2021 heeft appellante verzocht om wraking van de behandelend rechter. Het verzoek is op 16 april 2021 beoordeeld door de wrakingskamer. De wrakingskamer heeft beslist dat het verzoek niet in behandeling wordt genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2021. Naar aanleiding van het wrakingsverzoek is het onderzoek ter zitting geschorst rond 11.00 uur. Na kennisneming van de uitspraak van de wrakingskamer is het onderzoek ter zitting om 16.00 uur heropend. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren op [geboortedatum 1] 1951 en heeft de Tunesische nationaliteit. Vanaf 20 september 2016 ontvangt appellante een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellante heeft op 1 juni 2018 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) aangevraagd. Daarbij heeft appellante vermeld dat zij van 13 augustus 1972 tot 13 januari 2016 gehuwd geweest is met [naam echtgenoot] , geboren [geboortedatum 2] 1948 die in het verleden in Nederland heeft gewerkt en een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen. De heer [naam echtgenoot] is op 16 december 2017 overleden. Bij besluit van 21 juni 2018 heeft de Svb de aanvraag afgewezen.

1.2.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 juni 2018 is ongegrond verklaard bij besluit van 1 april 2019 (bestreden besluit). De Svb heeft overwogen dat appellante geen nabestaande is, omdat de heer [naam echtgenoot] op de dag van zijn overlijden niet verzekerd was voor de Anw en ook omdat appellante op de dag van het overlijden niet de echtgenote van de heer [naam echtgenoot] was en appellante op die dag de pensioengerechtigde leeftijd voor de AOW al had bereikt.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een nabestaandenuitkering op grond van de Anw. Volgens de rechtbank is daarom niet meer van belang of appellante (meer dan 45%) arbeidsongeschikt is.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de aanvraag om nabestaandenuitkering ten onrechte is afgewezen. Appellante heeft gesteld dat aanspraken op de nabestaandenuitkering van appellante, als voormalig huwelijkspartner, moeten worden gehonoreerd. Ook is gesteld dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit onbetrouwbaar zijn en appellante door de Svb en de rechtbank niet correct is gehoord.

3.2.

De Svb heeft het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om de verzoeken van appellante in te willigen om de behandeling van de zaak op de zitting van 16 april 2021 uit te stellen. De stelling van de gemachtigde van appellante dat hij om medische redenen verhinderd was, is niet toegelicht en evenmin onderbouwd. Van andere gronden voor uitstel is niet gebleken.

4.2.

Appellante kan niet worden gevolgd in haar stelling dat zij in bezwaar of beroep niet correct zou zijn gehoord. In het proces-verbaal van de aangevallen uitspraak is vermeld dat de zaak van appellante is behandeld op de zitting van 12 december 2019 in aanwezigheid van de gemachtigde van appellante. De zittingsaantekeningen bevatten een weergave van het verhandelde op de zitting van de rechtbank. Daarvan uitgaande is gemachtigde in de gelegenheid gesteld het beroep toe te lichten. In het bestreden besluit is vermeld dat appellante niet is uitgenodigd voor een hoorgesprek over het bezwaar omdat namens appellante is aangegeven dat zij geen gesprek wenst. In het telefoonrapport van 27 maart 2019 is verslag gedaan van het telefoongesprek van de gemachtigde met een medewerker van het Serviceteam van de Svb. Vermeld is dat een hoorzitting niet nodig is. Appellante heeft haar stelling niet toegelicht en ook niet onderbouwd dat een en ander niet correct zou zijn verlopen. Er is daarom geen aanleiding aan te nemen dat sprake is geweest van onvolkomenheden, nog daargelaten de vraag op welke wijze appellante daardoor in haar (procedurele) belangen zou zijn geschaad.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep voor het overige naar voren heeft gebracht, is een herhaling van de beroepsgronden die zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. In de aangevallen uitspraak is voldoende gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor een nabestaandenuitkering omdat appellante de pensioengerechtigde leeftijd voor de AOW al had bereikt op de dag van het overlijden van de heer [naam echtgenoot] . De Raad neemt deze overweging geheel over. Op basis daarvan komt de Raad – evenals de rechtbank – tot het oordeel dat appellante geen recht heeft op nabestaandenuitkering.

4.4.

Gelet op overweging 4.3. kan in het midden blijven of appellante nabestaande in de zin van de Anw is en of aannemelijk is dat de echtgenoot op enige grond moet worden aangemerkt als verzekerd voor de Anw op de dag van het overlijden.

4.5.

Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2021.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) M. Buur