Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1247

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
20/1353 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar niet-ontvankelijk. Termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Ook al was appellante op het moment van haar aanhouding niet in staat iets te regelen voor de verzorging van haar post, valt niet in te zien waarom zij niet vanuit detentie schriftelijk of telefonisch contact met een mogelijke belangenbehartiger kon opnemen. Dat appellante door zorgen over haar moeder en haar kinderen in beslag werd genomen is begrijpelijk, maar maakt niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. De omstandigheid dat de overschrijding van de bezwaartermijn maar vier dagen betreft, maakt tot slot niet dat het college niet in redelijkheid gebruik kon maken van de bevoegdheid het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 1353 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 25 mei 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 maart 2020, 19/5062 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.G.M. Frerix, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Frerix. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J. de Vries, die via videobellen aan de zitting heeft deelgenomen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 12 mei 2016 bijstand op grond van de Participatiewet. In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft een medeweker van de gemeente Arnhem op 20 april 2018 met appellante een gesprek gevoerd. Na afloop van dit gesprek is appellante aangehouden door de politie. Zij was vanaf dat moment gedetineerd, eerst in Nederland en sinds 26 april 2018 in Duitsland.

1.2.

Bij besluiten van 28 mei 2018 en 30 juli 2018 heeft het college, samengevat en voor zover hier van belang, de bijstand over de periode van 26 september 2017 tot en met 4 april 2018 herzien, de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.350,93 van appellante teruggevorderd, de bijstand met ingang van 20 april 2018 ingetrokken en aan appellante een boete opgelegd van € 820,-.

1.3.

Bij besluit van 30 juli 2019 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de in 1.2 genoemde besluiten niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante pas op 14 september 2018 – en daarmee te laat – bezwaar heeft gemaakt. Het college heeft in de detentie van appellante geen aanleiding gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante het bezwaar tegen de in 1.2 genoemde besluiten na afloop van de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn van zes weken heeft ingediend.

4.2.

In artikel 6:11 van de Awb is, voor zover hier van belang, bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift, een niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat in haar geval sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Zij is aansluitend op het gesprek bij het college door de politie aangehouden, waardoor zij niets heeft kunnen regelen voor de verzorging van haar post. Daarna heeft appellante in detentie in Duitsland verbleven en vanuit detentie was zij niet in staat om haar post te verzorgen. De mogelijkheden om vanuit detentie contact op te nemen met familie waren zeer beperkt. Als die mogelijkheden er waren stonden de zorgen over de moeder van appellante – bij wie appellante woonde en die ernstig ziek was – en de zorgen over haar kinderen centraal. Ook wijst appellante er op dat de overschrijding van de bezwaartermijn zeer gering was zodat het college, gelet ook op de feiten en omstandigheden van dit geval, niet in redelijkheid gebruik kon maken van de bevoegdheid het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren.

4.4.

Deze beroepsgronden slagen niet. Ook al was appellante op het moment van haar aanhouding niet in staat iets te regelen voor de verzorging van haar post, valt niet in te zien waarom zij niet vanuit detentie schriftelijk of telefonisch contact met een mogelijke belangenbehartiger kon opnemen. Appellante stelt wel dat zij vanuit detentie in Duitsland geen brieven mocht schrijven en dat zij slechts één keer in de maand telefonisch een gesprek van slechts tien minuten mocht voeren, maar enige onderbouwing voor die stelling ontbreekt. Ook de zorgen over de moeder van appellante en over haar kinderen laat onverlet dat het appellante vanuit detentie mogelijk moet zijn geweest een belangenbehartiger in te schakelen. Dat zij door die zorgen in beslag werd genomen is begrijpelijk, maar maakt niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. De omstandigheid dat de overschrijding van de bezwaartermijn maar vier dagen betreft, maakt tot slot niet dat het college niet in redelijkheid gebruik kon maken van de bevoegdheid het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2021.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J.B. Beerens