Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
19/4562 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:7451, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vooropgesteld wordt dat bij uitspraak van heden met kenmerk 20/71 WAO is geoordeeld dat het Uwv appellante terecht per 1 augustus 2017 in staat heeft geacht de bij de WAO-schatting in aanmerking genomen functies te vervullen. Wat appellante hierover heeft aangevoerd, slaagt dus niet. De vraag is of appellante op 5 april 2018 geschikt was voor één van deze functies. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek naar de medische situatie van appellante op 5 april 2018 zorgvuldig is geweest. Dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Er is niet gebleken dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. De overige aangevoerde gronden vormen een herhaling van de gronden die appellante reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak besproken en geoordeeld dat deze geen aanleiding geven om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven. Nu appellante ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt, is er ook in hoger beroep geen aanleiding om aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Gezien wat hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4562 ZW

Datum uitspraak: 7 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 september 2019, 18/5365 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellante heeft een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden gevoegd met de zaak 20/71 WAO op 9 april 2021 door middel van beeldbellen. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. van Beek. In de zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Het Uwv heeft het incidenteel hoger beroep ter zitting ingetrokken.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellante is in 1996 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. De WAO-uitkering is vanaf 1 april 2012 gedurende enige tijd niet tot uitbetaling gekomen in verband met inkomsten uit arbeid. Appellante heeft zich per 2 maart 2015 ziek gemeld.

1.2.

In het kader van een WAO-beoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv de

WAO-uitkering van appellante – uiteindelijk – per 1 augustus 2017 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Aan de besluitvorming ligt onder meer een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 20 januari 2016 ten grondslag. Voor de procedurele gang van zaken wordt verwezen naar de uitspraak van heden met kenmerk

20/71 WAO. Appellante werd in staat geacht tot het vervullen van de functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), inpakker (handmatig) (SBC-code 111190) en productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (SBC-code 111172).

1.3

Appellante heeft zich op 5 april 2018 ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving appellante een (aanvullende) uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 10 april 2018 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat tijdens de eerste dertien weken van de ziekte de WW-uitkering wordt doorbetaald. Op 17 april 2018 heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat appellante doorlopend geschikt is te beschouwen voor de passende functies conform de eerdere

WAO-schatting. Bij besluit van 25 april 2018 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen omdat appellante per 5 april 2018 arbeidsgeschikt is voor haar eigen werk. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 september 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 september 2018 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op anamnese, psychisch onderzoek door de verzekeringsarts, het gestelde in het bezwaarschrift en ter hoorzitting, alsmede op medische informatie afkomstig van een psycholoog. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellante. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat appellante op de datum in geding geschikt te achten is voor tenminste één van de bij de WAO-beoordeling van 2017 geduide functies. De rechtbank heeft overwogen dat appellante in beroep niet met medische gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van haar gezondheidstoestand op 5 april 2018. De rechtbank heeft ook verder geen aanknopingspunten in het dossier gevonden om die conclusie te trekken. Omdat de FML van 20 januari 2016 nog steeds geldig is en de betreffende functies op basis van deze FML in het kader van de

WAO-beoordeling zijn geduid, worden deze functies geacht geschikt te zijn voor appellante. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellante zich vanuit de WW heeft ziekgemeld en dat haar WW-uitkering tijdens de eerste dertien weken van ziekte is doorbetaald. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 13 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3141, heeft de rechtbank geoordeeld dat de beoordeling van de verzekeringsarts na de eerste ziektedag zich niet verzet tegen de weigering van ziekengeld met terugwerkende kracht omdat geen sprake is geweest van betaling van ziekengeld.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar de reeds ingediende bezwaar- en beroepsgronden, die als ingelast en herhaald moeten worden beschouwd. Appellante heeft haar standpunt herhaald dat zij zwaarder beperkt is en dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische klachten, met name concentratie en vasthouden en verdelen van de aandacht. Appellante is van mening dat de geselecteerde functies gelet op haar beperkingen ongeschikt voor haar zijn. Appellante heeft voorts gesteld dat het gegeven dat de uitbetaling van het ziekengeld via de afdeling WW heeft plaatsgevonden niet af doet aan het feit dat ziekengeld is verstrekt en zij met terugwerkende kracht is hersteld verklaard. Appellante meent dat de door de rechtbank genoemde uitspraak een hele andere casus betreft. Volgens appellante is het beginsel van equality of arms geschonden omdat de rechtbank op voorhand is uitgegaan van het standpunt van de verzekeringsartsen waardoor geen gelijkwaardige mogelijkheid voor appellante bestaat om haar gelijk te halen. Daartoe heeft appellante verwezen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van

8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 (arrest Korošec). Appellante heeft tenslotte verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar onder meer rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 mei 2020 en 23 juni 2020, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WAO.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat bij uitspraak van heden met kenmerk 20/71 WAO is geoordeeld dat het Uwv appellante terecht per 1 augustus 2017 in staat heeft geacht de bij de

WAO-schatting in aanmerking genomen functies te vervullen. Wat appellante hierover heeft aangevoerd, slaagt dus niet. De vraag is of appellante op 5 april 2018 geschikt was voor één van deze functies.

4.3.

Ten tijde van het besluit van 25 april 2018 werd de WW-uitkering gedurende maximaal dertien weken vanaf 5 april 2018 doorbetaald. Omdat aan appellante geen ZW-uitkering is toegekend, verzet de beoordeling van de arts van het Uwv op 24 april 2018 zich niet tegen de weigering van een ZW-uitkering met terugwerkende kracht per 5 april 2018 (zie de door de rechtbank vermelde uitspraak van de Raad van 13 september 2017). Aangezien de ziekmelding niet is geaccepteerd, is immers van hersteldmelding geen sprake.

4.4.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. Dat leidt in dit geding tot het volgende.

4.5.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek naar de medische situatie van appellante op 5 april 2018 zorgvuldig is geweest. Dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven.

4.6.

Er is niet gebleken dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Appellante heeft voldoende ruimte gehad om daartoe medische stukken in te dienen. Er zijn evenmin aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt. Er is dan ook geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms en er bestaat op die grond geen aanleiding een deskundige in te schakelen.

4.7.

De overige aangevoerde gronden vormen een herhaling van de gronden die appellante reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak besproken en geoordeeld dat deze geen aanleiding geven om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven. Nu appellante ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt, is er ook in hoger beroep geen aanleiding om aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 7 mei 2020 en 23 juni 2020 (nader) toegelicht waarom de brief van psycholoog H. Tahir van 16 augustus 2018 deze arts geen aanleiding heeft gegeven een ander standpunt in te nemen over de belastbaarheid van appellante. In deze brief heeft de psycholoog meegedeeld dat appellante zich slecht kan concentreren in het dagelijks leven, ze piekert veel over dingen. Ze heeft veel angsten voor situaties en vindt het erg lastig om grenzen aan te geven. Appellante heeft vaak geen overzicht en is chaotisch in haar hoofd, aldus de brief van de psycholoog Tahir. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er op gewezen dat voor de psychische belastbaarheid van appellante aanzienlijke beperkingen zijn vastgesteld ten aanzien van blootstelling aan stressoren zoals tempobelasting, tijdsdruk, conflicten, hoge verantwoordelijkheden. Alertheid en reactievermogen kunnen verminderd zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld dat met de items vasthouden van de aandacht, verdelen van de aandacht, herinneren, inzicht in eigen kunnen, doelmatig handelen en zelfstandig handelen basale activiteiten in het dagelijks leven worden vastgelegd. Deze items zijn over het algemeen aan de orde bij een ernstige psychiatrische stoornis. De psychische klachten van appellante uiten zich, gelet op de dagelijkse activiteiten als koken, vrijwilligerswerk en huishouden, niet dusdanig dat er van een dergelijk ernstige psychiatrische stoornis sprake is op de datum in geding. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog vermeld dat in de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) geen bijzondere eisen aan concentratie en vasthouden en verdelen van de aandacht worden gesteld. Het betreft een weinig psychisch belastende functie die appellante op de datum in geding kon verrichten. De Raad heeft geen aanleiding om te twijfelen aan deze toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het verzoek om inschakeling van een deskundige dient te worden afgewezen.

5. Gezien wat hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2021.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.R. Kokhuis