Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1239

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
19/1461 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de door het Uwv verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoeken met betrekking tot de belastbaarheid van appellante op de data in geding van 3 augustus 2016 en 30 mei 2017 voldoende zorgvuldig zijn geweest. Er zijn geen aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt, dan wel dat het voor appellante niet mogelijk is geweest om ontbrekende medische informatie bij haar behandelaars op te vragen. Appellante heeft de gelegenheid gehad om medische gegevens te overleggen. Zij heeft dit in hoger beroep ook gedaan door inzending van een in Zwitserland verrichte psychiatrische en neurologische expertise en van een expertiserapport van Ergatis. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat ten aanzien van beide data in geding geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. Wat appellante in hoger beroep aan medische informatie heeft overgelegd, geeft onvoldoende aanleiding om het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraken over de medische grondslag van bestreden besluit 1 en 2 voor onjuist te houden. Nu geen twijfel is aan de inhoudelijke medische beoordelingen van het Uwv over de belastbaarheid van appellante op de data in geding, wordt geen reden gezien om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Wat betreft de herhaald aangevoerde arbeidskundige gronden wordt aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1. Deze worden geheel onderschreven. In hoger beroep heeft appellante de overwegingen van de rechtbank niet gemotiveerd betwist. Uitgaande van de juistheid van de FML van 19 juli 2016 en van 22 mei 2017 is er geen aanleiding om te oordelen dat appellante op 3 augustus 2016 en 30 mei 2017 niet geschikt was voor de geselecteerde functies. De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken 1 en 2 moeten worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1461 WIA, 19/1081 WIA

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 15 februari 2019, 17/1112 (aangevallen uitspraak 1), en van 15 februari 2019, 18/1 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraken op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend, waarop het Uwv met rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 25 februari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.C. de Jonge. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. R.M.C. Bastings‑Vangangelt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als verpleegkundige gedurende 29,18 uur per week. Vanuit een ziekteperiode, die liep van 3 juni 2009 tot 6 december 2010, is appellante gereintegreerd in werk als applicatiebeheerder, welk werk zij gedurende een bepaalde periode fulltime heeft verricht. Sinds december 2010 is appellante op non-actief gesteld vanwege een arbeidsconflict. Op 14 augustus 2011 heeft appellante zich ziek gemeld met fysieke klachten als gevolg van een auto-ongeluk. Daarnaast is sprake van psychische klachten. Na afloop van een aan haar ex-werkgever opgelegde loonsanctie heeft het Uwv aan appellante met ingang van 11 augustus 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 47,38%.

19 1461 WIA

1.2.

Bij wijzigingsformulier van 8 juni 2016 heeft appellante gemeld dat haar gezondheid is verslechterd. Naar aanleiding van deze melding is appellante op 18 juli 2016 onderzocht door een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat de psychische beperkingen van appellante ten opzichte van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek uit 2014 zijn toegenomen. De fysieke klachten zijn volgens de verzekeringsarts niet toegenomen. De beperkingen van appellante heeft de verzekeringsarts neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 juli 2016. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd tot het vervullen waarvan appellante in staat wordt geacht. Bij besluit van 16 augustus 2016 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 3 augustus 2016 vastgesteld op 50,07%. De hoogte van de WIA-uitkering is hierdoor niet gewijzigd.

1.3.

Bij besluit van 2 maart 2017 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 augustus 2016 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 januari 2017 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 maart 2017 ten grondslag.

19 1081 WIA

1.4.

Op verzoek van de ex-werkgever van 19 april 2017 heeft een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante plaatsgevonden. Appellante heeft op 16 mei 2017 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante fysieke en psychische klachten heeft die grotendeels vergelijkbaar zijn met het onderzoek van 18 juli 2016. De verzekeringsarts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een FML van 22 mei 2017. Een arbeidsdeskundige heeft op basis van de FML functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld. Het Uwv heeft bij besluit van 29 mei 2017 de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 mei 2017 vastgesteld op 51,15%. Vanwege de beëindiging van de loongerelateerde WGA-uitkering heeft het Uwv aan appellante met ingang van 1 augustus 2017 een WGA-vervolguitkering toegekend.

1.5.

Bij besluit van 6 december 2017 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 mei 2017 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 november 2017 en het rapport van 2 maart 2017 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, uitgebracht in de eerdere procedure, ten grondslag.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig geweest. De naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen en de informatie van de behandelend sector zijn op deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volstaan met dossieronderzoek is niet onzorgvuldig geacht. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. In de rapporten van de verzekeringsartsen is de medische belastbaarheid op inhoudelijk overtuigende wijze gemotiveerd. Appellante heeft niet met medische stukken onderbouwd dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De enkele stelling van appellante dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet onafhankelijk zou zijn, is onvoldoende om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen. Uitgaande van de juistheid van de FML van 19 juli 2016 heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voor de berekening van het verlies aan verdienvermogen terecht als maatman de functie van verpleegkundige voor 29,18 uur per week heeft genomen met een referteperiode van 1 november 2008 tot en met 31 oktober 2009. Appellante heeft deze functie gedurende lange tijd naar krachten en bekwaamheden verricht en voor de functie van applicatiebeheerder, die zij na haar uitval uit de functie van verpleegkundige heeft verricht en waarvoor zijn lager werd betaald, is zij niet geschikt gebleken waardoor zij hierin niet is benoemd. Het Uwv heeft op juiste gronden de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 50,07%. Omdat van volledige arbeidsongeschiktheid geen sprake is, wordt niet toegekomen aan een onderzoek naar de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een voldoende diepgaand en zorgvuldig medisch onderzoek naar het vaststellen van de arbeidsbeperkingen. Alle beschikbare informatie is door de verzekeringsartsen betrokken. Niet is gebleken dat de verzekeringsartsen feiten en omstandigheden over de gezondheid van appellante hebben gemist. De rechtbank heeft de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid onderschreven. Appellante heeft geen gegevens ingebracht die twijfel oproepen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Noch heeft appellante haar stelling dat een urenbeperking moet worden vastgesteld, onderbouwd. De rechtbank heeft dan ook geen reden gezien om aan te nemen dat de FML van 22 mei 2017 onjuist is. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies aan de schatting ten grondslag mochten worden gelegd en dat op basis van de geselecteerde functies per 30 mei 2017 een mate van arbeidsongeschiktheid van 51,15% is berekend. Nu van volledige arbeidsongeschiktheid geen sprake is, wordt niet toegekomen aan een onderzoek naar de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de aangevallen uitspraken op een onzorgvuldige en ontoereikende motivering berusten. Met een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec) heeft appellante verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige. Volgens appellante is het beginsel van equality of arms geschonden, nu de rechtbank op voorhand is uitgegaan van het standpunt van de verzekeringsartsen waardoor geen gelijkwaardige mogelijkheid voor appellante bestaat om haar gelijk te halen. Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij als gevolg van een voortdurende stresssituatie, vanwege haar psychische klachten, volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat haar een IVA-uitkering toekomt. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante een psychiatrische en neurologische expertise van 16 april 2019 ingediend, afgenomen in Zwitserland inzake aanspraak op invaliditeitsrente in verband met een verzekerde periode aldaar. De Zwitserse autoriteit heeft beslist dat appellante vanaf 13 augustus 2011 op medische gronden 100% arbeidsongeschikt moet worden geacht. Voorts heeft appellante een op verzoek van de ex-werkgever uitgebracht expertiserapport van Ergatis van 30 december 2020 ingediend. Tot slot heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat sprake is van twee WIA-rechten, dat ten onrechte is uitgegaan van de maatman van verpleegkundige voor 29 uur per week, omdat zij na de functie van verpleegkundige fulltime werkzaam is geweest als applicatiebeheerder en dat het maatmanloon niet juist is.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen. In hoger beroep heeft het Uwv met rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de door appellante overgelegde expertises.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv op goede gronden de mate van arbeidsongeschiktheid op 3 augustus 2016 heeft vastgesteld op 50,07% en op 30 mei 2017 op 51,15%.

4.2.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. Dat leidt in dit geding tot het volgende.

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

4.3.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de door het Uwv verrichte verzekeringsgeneeskundige onderzoeken met betrekking tot de belastbaarheid van appellante op de data in geding van 3 augustus 2016 en 30 mei 2017 voldoende zorgvuldig zijn geweest. Uit de medische rapporten blijkt dat zowel de verzekeringsartsen als de verzekeringsartsen bezwaar en beroep de dossierstukken hebben bestudeerd, de verzekeringsartsen appellante hebben gezien op het spreekuur en haar hebben onderzocht naar aanleiding van de door haar naar voren gebrachte klachten. Wat betreft de datum in geding van 3 augustus 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep telefonisch contact opgenomen met appellante en wat betreft de datum in geding van 30 mei 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante gezien op een hoorzitting. Ook hebben de verzekeringsartsen de beschikbare medische informatie van behandelaars, waaronder de medische informatie van de behandelend psychologen, en alle beschikbare medische rapporten kenbaar bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante op voornoemde data in geding betrokken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts wat betreft de datum in geding van 3 augustus 2016 in de FML van 19 juli 2016 een aanvullende beperking in de rubriek persoonlijk functioneren heeft aangenomen en wat betreft de datum in geding van 30 mei 2017 in de FML van 22 mei 2017 een aanvullende beperking op zitten tijdens werk heeft aangenomen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidssituatie van appellante hebben gemist.

Stap 2: equality of arms

4.4.

Er zijn geen aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt, dan wel dat het voor appellante niet mogelijk is geweest om ontbrekende medische informatie bij haar behandelaars op te vragen. Appellante heeft de gelegenheid gehad om medische gegevens te overleggen. Zij heeft dit in hoger beroep ook gedaan door inzending van een in Zwitserland verrichte psychiatrische en neurologische expertise en van een expertiserapport van Ergatis. Deze informatie bevat gegevens over diagnoses, beloop van klachten en behandelingen en is naar zijn aard geschikt om twijfel te zaaien aan de rapporten van de verzekeringsartsen. Voor het aannemen van het ontbreken van equality of arms bestaat dan ook geen aanleiding.

Stap 3: de inhoudelijke beoordeling

4.5.1.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat ten aanzien van beide data in geding geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen.

4.5.2.

In de rapporten van de verzekeringsartsen wat betreft de datum in geding van 3 augustus 2016 is overtuigend gemotiveerd dat in de FML van 19 juli 2016 voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderkend dat sprake is van een vrij ernstig arbeidsconflict waarvan appellante forse emotionele stress ervaart met als gevolg lichte geheugen- en woordvindproblemen, maar dat uit neuropsychologisch onderzoek geen ernstige cognitieve afwijkingen werden gevonden. De gevonden afwijkingen zijn niet zodanig dat hiervoor meer beperkingen moeten worden vastgesteld dan neergelegd in de FML van 19 juli 2016. In deze FML is met deze klachten rekening gehouden door beperkingen vast te stellen aangaande de structuur in arbeid, de voorspelbare werksituatie en geen veelvuldige deadlines of productiepieken. Voorts is appellante beperkt voor conflicthantering en is zij aangewezen op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat. Tot slot dient het werk geen wisseldiensten te bevatten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de belastbaarheid zoals vastgesteld door de verzekeringsarts, onderschreven en daarbij nog overwogen dat geen sprake is van een toestand van geen benutbare mogelijkheden gelet op de activiteiten van appellante.

4.5.3.

Ook wat betreft de datum in geding van 30 mei 2017 hebben de verzekeringsartsen inzichtelijk gemotiveerd dat met de FML van 22 mei 2017 voldoende tegemoet wordt gekomen aan de fysieke en psychische klachten van appellante. Uit het rapport van 22 mei 2017 blijkt dat de verzekeringsarts de voorgeschiedenis van appellante en informatie van 23 maart 2017 van drs. A. Booitink, psycholoog van Neomai, bij zijn beoordeling heeft betrokken. Uit de onderzoeksbevindingen heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat psychische en fysieke afwijkingen zijn geconstateerd die min of meer gelijk zijn aan de beperkingen die in juli 2016 zijn vastgesteld. Een beperking voor het zitten tijdens het werk is toegevoegd. Appellante is geschikt geacht voor rustige lichte arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich met deze FML kunnen verenigen en geen argumenten gezien voor het vaststellen van een urenbeperking.

4.5.4.

Wat appellante in hoger beroep aan medische informatie heeft overgelegd, geeft onvoldoende aanleiding om het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraken over de medische grondslag van bestreden besluit 1 en 2 voor onjuist te houden. Naast het feit dat het Uwv niet gebonden is aan een arbeidsongeschiktheidsoordeel van een buitenlands orgaan, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 16 augustus 2019 voldoende gemotiveerd toegelicht dat, anders dan uit het onderzoek in Zwitserland naar voren komt, bij appellante geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts heeft onderschreven dat appellante niet meer geschikt is voor haar werk als verpleegkundige, maar heeft voldoende toegelicht dat bij appellante geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Rekening houdend met de bij appellante bestaande beperkingen is appellante belastbaar in rustig, licht werk. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 3 februari 2021 toegelicht dat de expertise van Ergatis evenmin aanleiding geeft voor verdergaande beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht opgemerkt dat de expertise, uitgevoerd in 2020, geen betrekking heeft op de data hier in geding, maar is opgesteld in verband met een mogelijke verslechtering van de gezondheidssituatie van appellante na de laatste WIA-beoordeling van mei 2017.

4.5.5.

Nu geen twijfel is aan de inhoudelijke medische beoordelingen van het Uwv over de belastbaarheid van appellante op de data in geding, wordt geen reden gezien om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

4.6.

Wat betreft de herhaald aangevoerde arbeidskundige gronden wordt aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak 1. Deze worden geheel onderschreven. In hoger beroep heeft appellante de overwegingen van de rechtbank niet gemotiveerd betwist.

4.7.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 19 juli 2016 en van 22 mei 2017 is er geen aanleiding om te oordelen dat appellante op 3 augustus 2016 en 30 mei 2017 niet geschikt was voor de geselecteerde functies.

4.8.

Nu in beide gedingen geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid, is de vraag naar de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen niet aan de orde.

4.9.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.8 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken 1 en 2 moeten worden bevestigd.

5. Gelet op het voorgaande is er geen grond voor veroordeling tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. De verzoeken daartoe worden afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraken;

  • -

    wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2021.

(getekend) M.E. Fortuin

De griffier is verhinderd te ondertekenen.