Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1238

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
18/5901 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, herziening en terugvordering. Lening niet uitgezonderd van middelenbegrip. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden door de ontvangst van de bedragen op zijn bankrekening en uit transacties via Western Union niet bij het college te melden. De ontvangen bedragen moeten als inkomen in mindering komen op de. De stelling dat het gaat om geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5901 PW

Datum uitspraak: 25 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
10 oktober 2018, 18/731 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Eliya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Eliya. Namens het college heeft M.L.C. Visser via videobellen deelgenomen aan de zitting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 6 juli 2015 tot en met 31 juli 2017 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant zwart werkte, hebben de medewerkers van de Afdeling Werk en Inkomen, unit bijzonder onderzoek, van de gemeente Hengelo (handhavingsmedewerkers) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben de handhavingsmedewerkers onder meer dossieronderzoek verricht, bankafschriften bij appellant opgevraagd, informatie bij Western Union gevorderd en appellant diverse keren gehoord. Uit dit onderzoek is onder meer gebleken dat in de periode van 28 juli 2015 tot en met 20 februari 2017 op de bankrekening van appellant contante stortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden en appellant bij transacties via Western Union bedragen heeft ontvangen. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapportage bijzonder onderzoek.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 18 oktober 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 maart 2018 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, de bijstand van appellant over veertien maanden, gelegen in de periode van augustus 2015 tot en met februari 2017 te herzien en over de maanden juli 2015, maart, mei en oktober 2016 in te trekken. Tevens heeft het college de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.573,41 van appellant teruggevorderd. Aan de herziening en intrekking heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de PW heeft geschonden door de ontvangst van de bedragen op zijn bankrekening en uit transacties via Western Union niet bij het college te melden. De door appellant ontvangen bedragen moeten als zijnde inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW in mindering komen op de bijstand over de maanden waarin die bedragen zijn ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant de door het college als inkomen in aanmerking genomen bedragen op zijn bankrekening en uit transacties via Western Union heeft ontvangen.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting met betrekking tot deze ontvangen bedragen niet heeft geschonden, omdat hij er niet vrijelijk over kon beschikken. Het waren leningen die hij terug moest betalen. De ontvangen bedragen behoorden hem dus niet toe en zijn geen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.

4.3.

Bedragen die zijn gestort dan wel zijn bijgeschreven op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is ook sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450). Hetzelfde geldt voor bedragen die uit transacties via Western Union worden ontvangen. De stelling dat het gaat om geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt, daargelaten of deze stelling voldoende is onderbouwd, niet tot een ander oordeel. Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Daarnaast worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers – ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt – als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt. Dit volgt uit vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van de betrokkene toeneemt, is – in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel – niet van belang. Dit doet aan de mogelijkheid om over het geleende bedrag te beschikken niet af. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.

4.4.

Appellant heeft ook aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat hij er niet van op de hoogte was dat hij de leningen bij het college moest melden. Hem kan geen verwijt worden gemaakt.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. De in artikel 17, eerste lid, van de PW neergelegde verplichting om van zulke gegevens mededeling te doen aan het college is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2021.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J.B. Beerens