Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1236

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
18/3496 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een Wajong-uitkering toe te kennen. Omdat over de periode van 1995 tot 2000 geen medische informatie beschikbaar is, heeft het Uwv, in overeenstemming met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 augustus 2017, terecht aangenomen dat de belastbaarheid van appellante op de zeventiende/achttiende verjaardag niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3496 WAJONG

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

16 mei 2018, 17/5293 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.P.C.G. Verheijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van videobellen op

25 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verheijen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Kooistra.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [geboortedatum] 1979, heeft op 6 december 2016 een aanvraag op

grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) ingediend. Daarbij heeft zij vermeld dat zij een verstandelijke beperking heeft en klachten als gevolg van een trauma in haar jeugd. Na informatie te hebben opgevraagd bij de huisarts van appellante heeft een verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen medische informatie over appellante beschikbaar is die ziet op haar zeventiende/achttiende verjaardag. Bij besluit van 20 februari 2017 heeft het Uwv geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.

1.2.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij heeft zij informatie van haar voormalige huisarts van 11 februari 2013 overgelegd en een overzicht van huisartsjournaalregels over de periode 1988 tot en met 20 mei 2010. Bij besluit van

29 augustus 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 februari 2017 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het

bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aanvraag van appellante beoordeeld moet worden op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). De rechtbank heeft overwogen dat volgens vaste rechtspraak (onder meer uitspraken van de Raad van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477) de bewijslast bij een zogenoemde laattijdige aanvraag als die van appellante bij de aanvrager ligt, omdat het medisch beeld na verloop van tijd steeds moeilijker is vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is appellante er niet in geslaagd aan te tonen dat zij op haar zeventiende/achttiende verjaardag als gevolg van ziekte of gebrek arbeidsongeschikt was. De rechtbank heeft overwogen dat uit informatie van de voormalige huisarts eventueel kan worden opgemaakt dat appellante destijds getraumatiseerd was. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat appellante op haar zeventiende/achttiende verjaardag zodanig ernstig beperkt was dat zij toen belemmerd was bij het verrichten van loonvormende arbeid. Omdat over de periode van 1995 tot 2000 geen medische informatie beschikbaar is, heeft het Uwv, in overeenstemming met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 augustus 2017, terecht aangenomen dat de belastbaarheid van appellante op de zeventiende/achttiende verjaardag niet kan worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv appellante daarom terecht geen Wajong-uitkering toegekend.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij op zeventien- en achttienjarige leeftijd arbeidsongeschikt was. Daarbij heeft zij met name gewezen op de informatie van haar voormalige huisarts en het overzicht huisartsjournaalregels waaruit volgens haar blijkt dat zij al in 1988 gediagnostiseerd was met PTSS in verband met seksueel misbruik en mishandeling. Appellante heeft daarnaast gesteld dat het haar niet te verwijten is dat de behandelend sector geen compleet medisch dossier meer van haar heeft.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Niet in geschil is dat het beoordelingskader wordt gevormd door de AAW. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar overwegingen 5 en 6 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven.

4.3.

Uit overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2021.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) D.S. Barthel