Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1234

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
17/8028 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat er redelijkerwijs geen misverstand over heeft kunnen bestaan dat met het besluit van 8 augustus 2016 aan betrokkene, en niet aan een andere rechtspersoon, een loonsanctie werd opgelegd. De in het besluit genoemde werknemer had een aanstelling bij betrokkene, betrokkene was ervan op de hoogte dat er in verband met een onvoldoende re-integratie resultaat voor werknemer een loonsanctie zou volgen, en namens betrokkene is bij brief van 30 augustus 2016 feitelijk ook bezwaar gemaakt tegen de met het besluit van 8 augustus 2016 opgelegde loonsanctie. Vernietiging uitspraak. Betrokkene heeft ter zitting uitdrukkelijk verzocht om, indien het hoger beroep zou slagen, de zaak voor verdere inhoudelijke behandeling terug te wijzen naar de rechtbank. De Raad ziet hierin aanleiding om de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht terug te wijzen naar de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 8028 WIA, 17/8029 WIA

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland

van 23 oktober 2017, 17/251 en 17/4036 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [vestigingsplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L. van de Vrugt, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2020. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P.M. van der Sprong, bijgestaan door mr. Van de Vrugt. Na de zitting is het onderzoek heropend. Betrokkene heeft nadere gronden ingediend.

Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021. Appellant heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. De Rooy-Bal. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Sprong, bijgestaan door mr. Van de Vrugt.

OVERWEGINGEN

1.1.

[werknemer] , werknemer van betrokkene, is op 3 september 2014 vanwege psychische klachten arbeidsongeschikt geraakt voor zijn werkzaamheden van onderzoekscoördinator voor 36 uur per week. Werknemer heeft op 30 mei 2016 een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Bij besluit van 8 augustus 2016 heeft appellant het tijdvak waarin werknemer jegens betrokkene recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd tot 30 augustus 2017. Die verlenging, ook wel loonsanctie genoemd, is opgelegd in aansluiting op de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat door betrokkene onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht, terwijl daarvoor geen deugdelijke grond aanwezig was.

1.2.

Namens betrokkene heeft arbeidsdeskundige, M.J.A. van den Bogaart (Bogaart) van Incentivo B.V. (Incentivo) op 30 augustus 2016 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 augustus 2016 en daarbij het standpunt ingenomen dat de loonsanctie ten onrechte is opgelegd. Bij aanvullende gronden van het bezwaar heeft de opvolgende gemachtigde gesteld dat, gelet op de tenaamstelling van het besluit van 8 augustus 2016, de loonsanctie niet is opgelegd aan betrokkene maar aan de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking. De gemachtigde heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het door betrokkene ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Bij besluit van 7 december 2016 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard en de opgelegde loonsanctie gehandhaafd.

1.3.

Op 22 februari 2017 heeft betrokkene appellant verzocht om de opgelegde loonsanctie te bekorten. Appellant heeft met het besluit van 24 augustus 2017 (bestreden besluit 2) zijn besluit van 20 maart 2017, waarbij het verzoek van betrokkene om de loonsanctie te bekorten is afgewezen, gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen bestreden besluiten 1 en 2 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de bezwaren van betrokkene niet-ontvankelijk zijn en dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten. De rechtbank heeft appellant opgedragen om de betaalde griffierechten in de beide zaken aan betrokkene te vergoeden en heeft appellant veroordeeld in de proceskosten van betrokkene. Daartoe heeft de rechtbank het standpunt van betrokkene gevolgd dat appellant de loonsanctie blijkens de tenaamstelling van het besluit van 8 augustus 2016 niet heeft opgelegd aan de Gemeente Utrecht, maar aan de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking. Omdat volgens de rechtbank vaststaat dat de loonsanctie niet aan betrokkene is opgelegd, is betrokkene niet aan te merken als belanghebbende bij dat besluit en had betrokkene niet-ontvankelijk in het bezwaar moeten worden verklaard. Aangezien geen loonsanctie meer kan worden opgelegd, heeft betrokkene volgens de rechtbank eveneens geen belang bij een procedure over een besluit tot bekorting van de loonsanctie. Volgens de rechtbank had het bezwaar tegen de weigering de loonsanctie te bekorten daarom eveneens niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij de tenaamstelling fouten zijn gemaakt. Betrokkene is juist vermeld op het besluit van 8 augustus 2016. Daarnaast staat een deel van de naam van een tweede rechtspersoon, gevestigd op datzelfde postadres, vermeld: ‘Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking’ in plaats van ‘Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht’. Daarbij zijn het loonheffingsnummer en aansluitnummer van die laatste rechtspersoon vermeld. Er heeft volgens appellant echter geen misverstand over kunnen bestaan dat de loonsanctie aan betrokkene is opgelegd, aangezien werknemer een aanstelling heeft bij betrokkene en Incentivo namens betrokkene ook het bezwaarschrift heeft ingediend. De rechtbank heeft ten onrechte de bezwaren van betrokkene tegen de beide primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard en daardoor is zij ten onrechte niet aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten toegekomen.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Met betrekking tot onjuiste naamsvermeldingen in een besluit is in de rechtspraak aanvaard dat het besluit desalniettemin tot een betalingsverplichting leidt wanneer de op het besluit vermelde gegevens redelijkerwijs geen misverstand kunnen oproepen met betrekking tot de vraag voor wie het bestemd is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1903 en de uitspraak van de Raad van 5 juni 1997). In deze laatste uitspraak over de verschuldigdheid van werknemersverzekeringspremies op grond van artikel 16a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering heeft de Raad overwogen dat van essentieel belang is dat buiten twijfel is wie de primair premieschuldige is. Daarbij heeft de Raad van belang geacht dat het in dat geval voor betrokkene van het begin af aan duidelijk is geweest wie voor de premieschulden werd aangeschreven. De Raad heeft geoordeeld dat het hanteren van de adressen van de natuurlijke personen in plaats van de rechtspersonen geen misverstand heeft doen ontstaan over de betekenis van de gevoerde correspondentie.

4.2.

De Raad is van oordeel dat er redelijkerwijs geen misverstand over heeft kunnen bestaan dat met het besluit van 8 augustus 2016 aan betrokkene, en niet aan een andere rechtspersoon, een loonsanctie werd opgelegd. De in het besluit genoemde werknemer had een aanstelling bij betrokkene, betrokkene was ervan op de hoogte dat er in verband met een onvoldoende reintegratie resultaat voor werknemer een loonsanctie zou volgen, en namens betrokkene is bij brief van 30 augustus 2016 feitelijk ook bezwaar gemaakt tegen de met het besluit van 8 augustus 2016 opgelegde loonsanctie.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

5. Betrokkene heeft ter zitting uitdrukkelijk verzocht om, indien het hoger beroep zou slagen, de zaak voor verdere inhoudelijke behandeling terug te wijzen naar de rechtbank. De Raad ziet hierin aanleiding om de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht terug te wijzen naar de rechtbank.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2021.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) B.V.K de Louw