Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1229

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
20/2099 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening kinderbijslag. Appellante was in de periode in geding uitgesloten van de verplichte verzekering voor de Nederlandse volksverzekeringen en dus niet verzekerd voor de AKW. Door haar werkzaamheden voor STL valt appellante onder een besluit van een volkenrechtelijke organisatie en is andere wetgeving van toepassing. Volgens de Svb had appellante kunnen weten dat haar werkzaamheden van invloed waren op haar recht op kinderbijslag, zodat er geen dringende reden is om van herziening met terugwerkende kracht af te zien. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2099 AKW

Datum uitspraak: 20 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 april 2020, 19/4003 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.J. Janssens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Janssens. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante woont in Nederland. Zij ontving kinderbijslag voor haar zoon [A.], geboren op [geboortedatum] 2004. Op 22 juni 2018 heeft appellante bij de Svb gemeld dat zij vanaf 14 juni 2011 werkzaam is voor een volkenrechtelijke organisatie, Special Tribunal for Lebanon (STL), te Leidschendam. Haar functie is ‘administrative assistent’ en appellante is ‘staffmember’.

1.2.

Bij besluit van 8 oktober 2018 heeft de Svb het recht op kinderbijslag van appellante ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) herzien vanaf het derde kwartaal van 2011. Bij besluit van eveneens 8 oktober 2018 heeft de Svb een bedrag van € 6.990,50 aan kinderbijslag van appellante teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 15 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 8 oktober 2018 ongegrond verklaard. Hieraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante vanaf het derde kwartaal van 2011 niet meer als verzekerde voor de AKW kan worden aangemerkt. Door haar werkzaamheden voor STL valt appellante onder een besluit van een volkenrechtelijke organisatie en is andere wetgeving van toepassing. Volgens de Svb had appellante kunnen weten dat haar werkzaamheden van invloed waren op haar recht op kinderbijslag, zodat er geen dringende reden is om van herziening met terugwerkende kracht af te zien. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellante over de periode in geding niet als verzekerde voor de AKW kan worden aangemerkt. In artikel 1.1, aanhef en onder g, van de Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2010 en 2015 (Aanwijzing), is STL aangewezen als volkenrechtelijke organisatie als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Bub). Volgens de rechtbank kon de Svb ervan uitgaan dat het sociaal verzekeringsstelsel van STL vergelijkbaar is met het Nederlandse stelsel. Gelet op vaste rechtspraak van de Raad laat het enkele feit dat het sociale verzekeringsstelsel van STL wellicht een minder vergaande dekking geeft dan het Nederlandse stelsel, onverlet dat sprake kan zijn van vergelijkbare dekking. De rechtbank is van oordeel dat appellante niet al haar verplichtingen is nagekomen en dat zij had kunnen onderkennen dat de kinderbijslag haar ten onrechte werd verstrekt, zodat de Svb op grond van zijn beleid de kinderbijslag met volledige terugwerkende kracht heeft kunnen herzien. Er zijn geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

3.1.

In hoger beroep heeft appelante aangevoerd dat het feit dat STL in de Aanwijzing wordt genoemd niet betekent dat het stelsel vergelijkbaar is met het Nederlandse stelsel. Volgens appellante zijn de stelsels niet vergelijkbaar, omdat het Nederlandse stelsel diverse regelingen bevat ter zake van de tegemoetkoming in de kosten van kinderen. Naast de kinderbijslag zijn dit ook het kindgebonden budget, de combinatiekorting en de kinderopvangtoeslag. De kindertoelage die appellante van STL ontving is verlaagd met de kinderbijslag. De stelsels geven geen vergelijkbare dekking. Appellante ontving al kinderbijslag voordat zij bij STL ging werken en zij is door de Svb nooit geïnformeerd over het feit dat zij het werken bij een volkenrechtelijke organisatie moest melden. Zij mocht erop vertrouwen dat zij recht had op kinderbijslag. Appellante heeft gewezen op het convenant tussen de Svb en de Belastingdienst en op de omstandigheid dat de Belastingdienst, na haar recht op kindgebonden budget in 2012 te hebben stopgezet, in 2015 een nieuwe aanvraag om kindgebonden budget heeft gehonoreerd. Voor kindgebonden budget is het recht hebben op kinderbijslag een voorwaarde. Tot slot voert appellante aan dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen voor haar heeft, omdat zij naast de kinderbijslag ook het kindgebonden budget moet terugbetalen.

3.2.

De Svb heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Verzekeringspositie

4.1.

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Svb appellante gedurende de periode in geding op juiste gronden als niet verzekerd voor de AKW heeft aangemerkt.

4.2.

Artikel 32, eerste lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciaal Tribunaal voor Libanon (Zetelovereenkomst) luidt:

“Indien het socialezekerheidsstelsel van het Tribunaal een dekking biedt die vergelijkbaar is met de dekking krachtens de wetgeving van het Gastland, zijn de rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklager, de Griffier, het Hoofd van het kantoor van de verdediging en leden van het personeel op wie het bovenbedoelde stelsel van toepassing is vrijgesteld van de bepalingen op het gebied van sociale zekerheid van het Gastland. Zij zijn dientengevolge niet gedekt tegen de risico’s vervat in de bepalingen op het gebied van sociale zekerheid in het Gastland. Deze vrijstelling is op hen van toepassing tenzij zij betaalde werkzaamheden gaan verrichten in het Gastland.”

4.3.

Voorop moet worden gesteld dat artikel 32, eerste lid, van de Zetelovereenkomst een eenieder verbindende bepaling is in de zin van artikel 94 van de Grondwet. Voor zover het eigen stelsel van sociale zekerheid van STL een dekking biedt die vergelijkbaar is met de dekking krachtens het Nederlandse stelsel, dwingt de Zetelovereenkomst tot uitsluiting van de verplichte Nederlandse verzekering – voor onder meer de volksverzekeringen – van de genoemde medewerkers van STL.

4.4.

Het enkele feit, dat het stelsel van sociale zekerheid van STL volgens appellante op onderdelen een minder vergaande dekking kent dan het Nederlandse stelsel, laat onverlet dat sprake kan zijn van een vergelijkbare dekking in de zin van de Zetelovereenkomst (vergelijk de uitspraak van de Raad van 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3863). Vastgesteld wordt dat het stelsel van STL in ieder geval voorziet in een meer dan verwaarloosbare kinderbijdrage. Appellante heeft van STL immers een aanmerkelijk hoger bedrag aan kindertoelage gekregen dan de kinderbijslag waarop zij als verzekerde voor de AKW aanspraak zou hebben kunnen maken. Verder kan niet zonder meer worden aangenomen dat, voor de vergelijkbaarheid van de dekking krachtens beide stelsels, de fiscale tegemoetkomingen die Nederland kent voor de verzorging van kinderen en waar appellante op heeft gewezen, mede worden begrepen onder de term ‘sociale zekerheid’ in artikel 32, eerste lid, van de Zetelovereenkomst. Hiertegen pleit dat leden van het personeel van STL op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, en vierde lid, van de Zetelovereenkomst zijn vrijgesteld van belasting op de salarissen, emolumenten en vergoedingen die ter zake van hun dienstverband bij het Tribunaal aan hen worden betaald, en van iedere vorm van belasting uit hoofde van ingezetenschap. Dat geen sprake is van vergelijkbare dekking in de zin van de Zetelovereenkomst is dus niet aannemelijk geworden.

4.5.

Vanaf 3 juni 2010 behoort STL tot de volkenrechtelijke organisaties genoemd in de Aanwijzing, zodat appellante reeds op grond van artikel 14, eerste lid, van het Bub is uitgesloten van de verplichte verzekering voor de Nederlandse volksverzekeringen. Uit 4.4 volgt dat de regelgever, in weerwil van de stellingen van appellante, op goede gronden tot het oordeel heeft kunnen komen dat de dekking krachtens het socialezekerheidsstelsel van STL vergelijkbaar is met de dekking krachtens het Nederlandse wettelijke stelsel. Voor zover appellante met haar stelling dat de stelsels geen vergelijkbare dekking bieden, de verbindende kracht van artikel 14, eerste lid, van het Bub heeft willen aanvechten, slaagt deze grond niet.

4.6.

Gelet op 4.1 tot en met 4.5 was appellante in de periode in geding uitgesloten van de verplichte verzekering voor de Nederlandse volksverzekeringen en dus niet verzekerd voor de AKW.

Herziening

4.7.

Uit artikel 14a, eerste lid, van de AKW volgt dat als de kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken indien het niet nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het verlenen van kinderbijslag tot een te hoog bedrag (a) maar ook indien anderszins kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend (b).

Uit artikel 14a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de AKW volgt – voor zover relevant – dat de Svb een besluit tot toekenning van kinderbijslag herziet of intrekt:

( a) indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15 of 16 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag;

( b) indien anderszins de kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Toepassing beleid

4.8.

De Svb heeft beleid ontwikkeld voor het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij verder niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. In een dergelijk geval herziet de Svb de uitkering in beginsel zonder terugwerkende kracht.

4.9.

In het midden kan worden gelaten of appellante al haar verplichtingen is nagekomen. Voor herziening van het recht op kinderbijslag is schending van de inlichtingenplicht, blijkens artikel 14a, eerste lid, aanhef en onder b, van de AKW, geen noodzakelijke voorwaarde. Op grond van het beleid van de Svb is ook van belang of appellante heeft kunnen begrijpen dat de kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. Met de Svb is de Raad van oordeel dat appellante heeft kunnen begrijpen dat de kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2011 ten onrechte is uitbetaald. Sinds haar indiensttreding bij STL draagt appellante geen premies voor de volksverzekeringen meer af, betaalt zij geen belasting meer in Nederland, ontvangt zij van STL een kindertoelage en kan zij, zoals zij ter zitting heeft verklaard, geen zorgverzekering meer afsluiten en geen hypotheekrenteaftrek meer krijgen. Dat de Belastingdienst, na eerst het kindgebonden budget in 2012 te hebben stopgezet, dit naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van appellante in 2015 opnieuw heeft toegekend, maakt niet dat appellante er (vanaf dat moment) toch van heeft kunnen uitgaan dat zij recht had op kinderbijslag. Appellante had op zijn minst moeten twijfelen aan de juistheid van de kinderbijslag en van de toekenning van het kindgebonden budget in 2015. Het had op haar weg gelegen om daarover met de Svb en de Belastingdienst contact op te nemen. Dit betekent dat de Svb op grond van zijn onder 4.7 vermelde beleid niet heeft hoeven afzien van de herziening van de kinderbijslag met terugwerkende kracht.

Toepassing nieuwe gedragslijn

4.10.

Zoals op zitting aan de orde is geweest en nader is toegelicht hanteert de Svb – in afwachting van nieuw beleid – inmiddels ook een vaste gedragslijn in zaken als deze, waarin kinderbijslag is herzien met volledig terugwerkende kracht ten nadele van de belanghebbende (zie de uitspraak van de Raad van 25 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:672). In die gedragslijn is aansluiting gezocht bij het “oude” beleid over toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. In dit beleid was de mogelijkheid opgenomen geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledig terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of sprake is van kennelijke onredelijkheid werd waarde gehecht aan de mate waarin aan de belanghebbende en aan de Svb een verwijt kon worden gemaakt. Ook was van belang de mate waarin de herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering onevenredig ingrijpend is in het dagelijkse leven van de belanghebbende. Als de Svb op grond van deze factoren van oordeel was dat volledige herziening kennelijk onredelijk was, werd de terugwerkende kracht van de herziening of intrekking gematigd. Dit beleid is eerder niet op bedenkingen van de Raad gestuit.

4.11.

De Svb heeft het standpunt ingenomen dat toepassing van de nieuwe gedragslijn in het geval van appellante niet leidt tot de conclusie dat herziening met volledig terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. In de visie van de Svb is van verwijtbaarheid aan de zijde van de Svb niet of nauwelijks sprake. Toegelicht is dat de werkzaamheden voor STL weliswaar via de Belastingdienst kenbaar waren in het AOW-systeem, maar dat dit systeem losstond van het geautomatiseerde AKW-systeem, dat werd gebruikt door de afdeling die de AKW uitvoerde. Medewerkers van de afdeling AKW waren niet geautoriseerd voor raadpleging van het AOW-systeem. Bij de afdeling AKW was niet bekend dat appelante niet langer verzekerd was, omdat de systemen destijds nog niet waren gekoppeld en appellante de wijziging in haar verzekeringspositie niet aan de Svb heeft doorgegeven. Er is in het geval van appellante dus geen fout gemaakt bij de gevalsbehandeling. Voor zover aan de Svb al iets kan worden verweten, weegt dat volgens de Svb niet op tegen de mate waarin aan appellante een verwijt kan worden gemaakt.

4.12.

Nu aan de Svb niet of nauwelijks een verwijt kan worden gemaakt, terwijl appellante heeft kunnen begrijpen dat zij ten onrechte kinderbijslag ontving, heeft de Svb in redelijkheid kunnen oordelen dat herziening met volledig terugwerkende kracht in het geval van appellante niet kennelijk onredelijk is. Daarom behoefde de in 4.9 beschreven gedragslijn de Svb niet te leiden tot matiging van de herziening. De Raad is van oordeel dat de Svb, gelet op bovenstaande, in deze zaak zijn vaste gedragslijn, neerkomend op toepassing van het “oude” 3:4-beleid, hiermee consistent heeft toegepast. Aannemelijk is dat appellante door het ontbreken van deze toets in een eerdere fase van de besluitvorming niet is benadeeld.

4.13.

Appellante heeft zich ten slotte beroepen op het vertrouwensbeginsel. Daarover overweegt de Raad als volgt. Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat zij erop heeft mogen vertrouwen dat zij door het convenant tussen de Svb en de Belastingdienst haar werk bij STL niet bij de Svb heeft hoeven melden. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij dit vertrouwen daadwerkelijk heeft gehad en dat dit vertrouwen haar gedrag heeft beïnvloed. Zij geeft zelf juist aan niet geweten te hebben dat haar werk bij STL voor de Svb van belang was. Evenmin volgt uit de – foutieve verstrekking – van kindgebonden budget door de Belastingdienst dat appellante erop mocht vertrouwen dat zij de kinderbijslag terecht ontving. Verwezen wordt naar punt 4.8. Ten slotte is vanuit de Svb aan appellante geen enkele toezegging gedaan dat zij ondanks haar werkzaamheden voor STL nog aanspraak op kinderbijslag kon maken

Dringende reden

4.14.

Op grond van artikel 14a, tweede lid, van de AKW kan de Svb geheel of gedeeltelijk afzien van de herziening als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Het moet dan gaan om incidentele uitzonderingen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt. Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een herzieningsbesluit voor de betrokkene heeft (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2021:672). De door appellante aangevoerde argumenten duiden niet op dringende redenen waarom de Svb (deels) van de herziening had moeten afzien. Ook van dringende redenen om van terugvordering van het teveel betaalde bedrag af te zien, is niet gebleken. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante ter zitting, desgevraagd, heeft erkend dat zij de kinderbijslag die op de kinderbijdrage van STL is gekort, van STL heeft teruggevraagd en inmiddels heeft teruggekregen.

Conclusie

5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2021.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) R. van Doorn

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.