Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1228

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
19/3734 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad heeft, anders dan de rechtbank, niet de overtuiging verkregen dat appellant adresonderzoek heeft laten verrichten naar R. Op dit onderdeel staat daarom, anders dan het college heeft aangevoerd, niet vast dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Ook staat niet vast dat appellant in strijd met artikel 15:1[e] van de ARG heeft nagelaten zijn nevenactiviteiten als woningverhuurder te melden. Ook op dit onderdeel kan appellant dus geen plichtsverzuim worden verweten. Door het aangaan van een huurovereenkomst met een cliënt die in een kwetsbare en afhankelijke positie verkeerde, heeft appellant een dubbelrol als ambtenaar en als verhuurder aangenomen en daarmee op zijn minst richting R de schijn van belangenverstrengeling gewekt. Hierbij valt het appellant aan te rekenen dat hij hierover geen melding heeft gemaakt bij zijn leidinggevende. De Raad onderschrijft daarom het oordeel van de rechtbank dat dit ernstig plichtsverzuim oplevert. Wat appellant heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Daarom was het college bevoegd om appellant daarvoor een disciplinaire maatregel op te leggen. De Raad is verder van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim. De financiële gevolgen van het ontslag kunnen hieraan niet afdoen. Het college heeft deze gevolgen meegewogen, maar heeft zwaarder mogen laten wegen dat het vertrouwen van de gemeente in appellant en het vertrouwen van de burger in de gemeente als overheidsorgaan door het handelen van appellant ernstig is geschaad. Het hoger beroep van appellant slaagt niet. Het incidenteel hoger beroep van het college slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3734 AW, 19/4341 AW

Datum uitspraak: 20 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2019, 18/8052 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Appellant heeft hierop zijn zienswijze gegeven.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn opvolgend gemachtigde mr. D.F.L. van der Hout, advocaat. Het college heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. Y.L. Chan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.

1.2.

Appellant was sinds 1 mei 2008 aangesteld bij de gemeente Den Haag, ten laatste in de functie van [functienaam] bij de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten.

1.3.

Bij besluit van 31 mei 2016 heeft het college appellant voorwaardelijk strafontslag verleend met een proeftijd van een jaar wegens plichtsverzuim bestaande uit het nietfunctioneel en niet-werkgerelateerd raadplegen van de toenmalige gemeentelijke basisadministratie. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

Bij brief van 4 december 2017 heeft het college appellant meegedeeld dat naar hem een integriteitsonderzoek wordt ingesteld omdat het vermoeden is ontstaan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim waarbij hij heeft gehandeld in strijd met de gedragscode of gemeentelijke regelingen, waaronder vermenging van privébelangen bij een hulpvraag van een cliënt waardoor (de schijn van) belangenverstrengeling aan de zijde van appellant als medewerker bestond dan wel is ontstaan. Hierbij heeft het college appellant met onmiddellijke ingang geschorst in het belang van de dienst op grond van artikel 8:15:1, eerste lid, onder d, van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (ARG). Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het schorsingsbesluit.

1.5.

Op 14 maart 2018 heeft het Bureau Integriteit van de gemeente Den Haag rapport uitgebracht van het ingestelde integriteitsonderzoek. Op grond van de conclusies van dit onderzoek heeft het college appellant bij brief van 23 april 2018 in kennis gesteld van het voornemen om hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Verder is appellant hierbij op grond van artikel 8:15:1, eerste lid, onder a, van de ARG geschorst met inhouding van zijn gehele salaris op grond van artikel 8:15:2, tweede lid, van de ARG. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het schorsingsbesluit en zijn zienswijze gegeven op het voornemen.

1.6.

Bij besluit van 22 mei 2018 heeft het college appellant met onmiddellijke ingang de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Appellant heeft zich volgens het college schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling. Appellant heeft namelijk op 9 april 2015 in zijn functie als [functienaam] , een intakegesprek gevoerd met een cliënt (R). Vervolgens heeft appellant in de periode tussen 9 april 2015 en 21 april 2015 dezelfde cliënt een woonruimte laten bezichtigen. Naast zijn functie bij de gemeente Den Haag verhuurt appellant woonruimten aan particulieren. Op 21 april 2015 heeft appellant, samen met de cliënt, de huurovereenkomst ondertekend. Volgens het college was R een cliënt van appellant in zijn functie als [functienaam] bij de gemeente Den Haag en appellant heeft in zijn functie een zakelijke relatie met R. Toch is appellant, buiten zijn werk om, ook privé een zakelijke relatie met R aangegaan. Verder heeft appellant zijn nevenwerkzaamheden niet gemeld terwijl hij dit op grond van artikel 15:1[e] van de ARG wel had moeten doen. Ten slotte wordt appellant verweten dat hij een adresonderzoek heeft laten verrichten naar R. Door dit herhaaldelijk te ontkennen en het tegendeel te beweren, heeft appellant niet naar waarheid verklaard. Daarnaast rekent het college appellant aan dat hij door het aanvragen van een adresonderzoek, R in een verergerde kwetsbare positie heeft gebracht. Door zijn handelwijze is R ten onrechte uitgeschreven waardoor zijn uitkering is stopgezet.

1.7.

Bij besluit van 2 november 2018 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 4 december 2017, 23 april 2018 en 22 mei 2018 ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het college appellant heeft mogen schorsen in het belang van de dienst en in aansluiting daarop heeft mogen schorsen onder inhouding van de bezoldiging. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verhuur van een woning aan een cliënt van de gemeente, die appellant ook in de hoedanigheid van contactpersoon bij de gemeente herkent, tenminste de schijn van belangenverstrengeling wekt en is aan te merken als ernstig plichtsverzuim. Ook het niet melden van de verhuuractiviteiten merkt de rechtbank aan als plichtsverzuim. Dat appellant de activiteiten heeft besproken met een voormalig leidinggevende en een voormalig collega doet naar het oordeel van de rechtbank wel enigszins afbreuk aan de ernst van het plichtsverzuim van het niet melden in het algemeen, maar neemt niet de ernst weg van het niet melden van de verhuur aan R. De rechtbank acht het verder aannemelijk dat appellant het adresonderzoek naar R heeft laten verrichten, maar ziet geen reden om dit als plichtsverzuim aan te merken. Wel is aannemelijk geworden dat hij over het verrichten van het adresonderzoek niet naar waarheid heeft verklaard. Appellant heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. De rechtbank acht de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim.

3. Partijen hebben zich in (incidenteel) hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.2.

De Raad heeft, anders dan de rechtbank, niet de overtuiging verkregen dat appellant adresonderzoek heeft laten verrichten naar R. Niet in geschil is dat appellant op 6 december 2015 een adresonderzoek heeft aangevraagd voor twee andere bewoners van hetzelfde adres, met als reden dat de bewoners zijn vertrokken. Uit het systeem Key2Burgerzaken blijkt dat er drie dossiernummers zijn aangemaakt. De medewerker die de aanvragen in het systeem heeft verwerkt, heeft op basis van de printscreen van het derde dossiernummer geconcludeerd dat de aanvraag digitaal moet zijn ingediend via de website, omdat de initiator van de registratie ‘Team BRP’ is. Verder leidt hij uit de printscreen af dat appellant de aanvrager was, omdat bij de naam van de aangever de naam van appellant is vermeld. Op basis van deze printscreen kan hij niet zeggen op welk adres of op welke persoon deze registratie betrekking heeft. Op basis van een tweede printscreen concludeert hij dat om een adresonderzoek is verzocht voor R op het adres [adres] . Naar het oordeel van de Raad is deze laatste printscreen onvoldoende voor de conclusie dat appellant heeft verzocht om een adresonderzoek naar R, omdat hieruit alleen blijkt dat het registratienummer is gekoppeld aan R. Uit de afdruk van het onderzoeksdossier blijkt dat het veld “naam betrokkene” leeg is, althans niets is ingevuld. Dit is wel het geval in het onderzoeksdossier van de andere twee bewoners op dat adres. Appellant heeft onweersproken gesteld dat het niet mogelijk is een adresonderzoek aan te vragen zonder in het veld voor de naam van de betrokken persoon de naam of een vraagteken in te vullen. Dat volgt ook uit een afdruk van een internetpagina “Adresonderzoek aanvragen” van de gemeente die zich in het dossier bevindt. Op die pagina staat bij de instructies om een adresonderzoek aan te vragen dat als de naam van de te onderzoeken persoon onbekend is, in dat veld vraagtekens geplaatst moet worden, of de naam die volgens de aanvrager wél daar woont. Hoewel er een onderzoekdossier is aangemaakt waarbij onderzoek naar R is gedaan, maar waar het veld naar wie onderzoek moet worden gedaan leeg is, bestaat onvoldoende grond voor de conclusie dat appellant dit adresonderzoek naar R heeft aangevraagd. Op dit onderdeel staat daarom, anders dan het college heeft aangevoerd, niet vast dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

4.3.

Ook staat niet vast dat appellant in strijd met artikel 15:1[e] van de ARG heeft nagelaten zijn nevenactiviteiten als woningverhuurder te melden. Volgens de Gedragscode 2008 hoeven alleen die nevenactiviteiten worden gemeld die raakvlakken hebben met de functieuitoefening. De verantwoordelijkheid voor de melding ligt bij de ambtenaar. Over de wijze waarop de melding moet worden gedaan is alleen vermeld dat de activiteiten bij de leidinggevende gemeld moeten worden. Tussen partijen is niet in geschil dat algemeen bekend was dat appellant nevenactiviteiten verrichtte en dat appellant de verhuur van woningen ter sprake heeft gebracht in een formeel gesprek met zijn voormalig leidinggevende. Daarom kan niet worden gezegd dat appellant die activiteiten niet heeft gemeld. Het college heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat appellant op een andere manier een melding had moeten doen en dat hij daarvan op de hoogte had moeten zijn. Ook op dit onderdeel kan appellant dus geen plichtsverzuim worden verweten.

4.4.

Wat betreft de verhuur van een woning aan R staat vast dat appellant, in zijn functie van [functienaam] op 9 april 2015 een intakegesprek met R heeft gevoerd en dat hij er door de informatie uit dit gesprek van op de hoogte was dat R dakloos dreigde te worden en op zoek was naar een nieuwe woning. Verder is niet in geschil dat appellant en R elkaar herkenden tijdens de woningbezichtiging niet lang na 9 april 2015 en hij vervolgens op 21 april 2015 een huurovereenkomst met R heeft getekend. Daarmee is appellant een zakelijke relatie aangegaan met een persoon die op dat moment niet alleen cliënt was van de gemeente, maar ook van appellant in zijn functie als [functienaam] . Dat er een zogenoemde ‘adempauze’ in de begeleiding was ingelast betekent niet dat R, zoals appellant stelt, geen cliënt meer van hem was. Tijdens de ‘adempauze’ wordt de cliënt volgens de geldende werkinstructie namelijk nog wel gemonitord door de [functienaam] . Zo controleert de consulent of de cliënt zich aan de gemaakte afspraken houdt, beoordeelt hij of de ‘adempauze’ nog van toepassing is en legt hij de bevindingen vast in het cliëntendossier. Appellant heeft op 3 juli 2015 nog een aantal mutaties in het cliëntendossier van R verwerkt. Door het aangaan van een huurovereenkomst met een cliënt die in een kwetsbare en afhankelijke positie verkeerde, heeft appellant een dubbelrol als ambtenaar en als verhuurder aangenomen en daarmee op zijn minst richting R de schijn van belangenverstrengeling gewekt. Hierbij valt het appellant aan te rekenen dat hij hierover geen melding heeft gemaakt bij zijn leidinggevende. De Raad onderschrijft daarom het oordeel van de rechtbank dat dit ernstig plichtsverzuim oplevert.

4.5.

Wat appellant heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Daarom was het college bevoegd om appellant daarvoor een disciplinaire maatregel op te leggen.

4.6.

De Raad is verder van oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het in overweging 4.4 vastgestelde plichtsverzuim. De financiële gevolgen van het ontslag kunnen hieraan niet afdoen. Het college heeft deze gevolgen meegewogen, maar heeft zwaarder mogen laten wegen dat het vertrouwen van de gemeente in appellant en het vertrouwen van de burger in de gemeente als overheidsorgaan door het handelen van appellant ernstig is geschaad. Verder heeft het college van belang mogen achten dat appellant niet inziet dat zijn handelen (de schijn van) belangenverstrengeling wekt en dat aan hem in 2016 de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag is opgelegd.

4.7.

Uit overwegingen 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Uit overweging 4.4 volgt dat het incidenteel hoger beroep van het college niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, gelet op wat is overwogen in 4.2 en 4.3, met verbetering van gronden.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.J. Otten en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2021.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) D. Al-Zubaidi