Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
18/1989 WAJONG-G
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2021:1226 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2021:879.

Afwijzing aanvraag om uitkering op grond van de Wajong. De rechtbank heeft terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellante beschikt over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. De vraag naar de duurzaamheid kan daarom onbeantwoord blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 14 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 maart 2018, 17/5323 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J.A. Vis, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het Uwv heeft een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en onderliggende medische stukken ingezonden.

Appellante heeft een reactie met nadere stukken ingezonden. Het Uwv heeft daarop gereageerd.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gesloten.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op [geboortedatum] 1987, heeft met een door het Uwv op 23 augustus 2016 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij de aanvraag is informatie gevoegd van haar behandelend psycholoog van 5 april 2016. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 21 december 2016 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante arbeidsvermogen heeft.

1.2.

Bij besluit van 30 juni 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 21 december 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is een zorgvuldig medisch onderzoek verricht en bestaat geen aanleiding om de uitkomst van dit onderzoek voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op inzichtelijke wijze en aan de hand van de door appellante ingebrachte medische informatie uiteengezet dat de grens van een uur aaneengesloten en vier uur per dag in totaal werken door appellante te bereiken is. Daarbij zal een voortdurend aanwezige leidinggevende begeleiding moeten bieden, omdat communicatie bij de begeleiding moeilijk is. De informatie van GGZ Rivierduinen Kristal van 17 oktober 2017 geeft volgens de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante is aangewezen op gestructureerd werk met duidelijke, eenduidige uitleg waarbij geen sprake is van hoge werkdruk. De werkomgeving dient rustig te zijn en niet al te prikkelrijk. Ook is appellante aangewezen op een begripvolle werkomgeving en dient zij uitleg en opdrachten te krijgen van één vast persoon. Deze dient tevens structuur voor appellante aan te brengen, er op toe te zien dat zij alles begrepen heeft en hij dient miscommunicatie tussen appellante en anderen te herkennen en haar positieve feedback te geven ter vergroting van haar zelfvertrouwen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat in de geselecteerde taak van handmatig afwassen aan deze voorwaarden wordt voldaan.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij geen arbeidsvermogen heeft, omdat het onvoorstelbaar is dat er in de praktijk een werkomgeving bestaat die aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gestelde voorwaarden voldoet en er een werkgever is die daarvoor loon zou willen betalen. Aanvullend heeft appellante onder verwijzing naar (onder meer) een neuropsychologisch onderzoek van 17 januari 2019 gesteld dat zij niet in staat kan worden geacht om zelfstandig één uur achtereen aan een taak te werken en evenmin in staat moet worden geacht vier op een dag te kunnen werken.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte (voor zover hier van belang) de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

4.1.2.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of appellante beschikt over arbeidsvermogen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest, wordt gevolgd. De overwegingen van de rechtbank op dit punt worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat het Uwv in hoger beroep is tegemoetgekomen aan de wens van appellante om door een andere verzekeringsarts bezwaar en beroep te worden gezien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep V. Ramautar heeft appellante op 6 december 2020 op het spreekuur gezien en is in zijn rapport van 7 december 2020 op navolgbare wijze tot dezelfde bevindingen en conclusies gekomen als de verzekeringsarts bezwaar en beroep G.K. Hebly die eerder rapporteerde.

4.4.

Er is geen aanleiding het standpunt van het Uwv, dat appellante beschikt over arbeidsvermogen, voor onjuist te houden. Het door appellante in hoger beroep overgelegde neuropsychologisch onderzoek van 17 januari 2019, alsmede de overige medische informatie die door appellante in hoger beroep nog is ingebracht, leidt niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat de bevindingen in het neuropsychologische onderzoek, als ook de overige medische informatie, overeenstemmen met de bevindingen van de verzekeringsartsen van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd waarom de door de neuropsycholoog getrokken conclusies niet verenigbaar zijn met het gegeven dat appellante destijds haar mbo-diploma heeft behaald en thuis de zorg voor het huishouden en haar jonge kind heeft. Dat gedurende enkele uren per week wordt voorzien in externe begeleiding en structuur betekent niet dat sprake is van één op één begeleiding, zoals appellante stelt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er daarnaast terecht op gewezen dat de noodzaak van intensieve begeleiding en voortdurend toezicht de aanwezigheid van arbeidsvermogen als bedoeld in de Wajong niet uitsluit. Voor zover die begeleiding verder zou gaan dan van een werkgever in redelijkheid gevergd zou kunnen worden bestaat de mogelijkheid van een zogeheten ‘Participatievoorziening beschut werk’.

4.5.

Gelet op wat is overwogen onder 4.3 en 4.4 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellante beschikt over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte is aan te merken. De vraag naar de duurzaamheid kan daarom onbeantwoord blijven.

4.6.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6. Over het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt als volgt overwogen.

6.1.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene (appellant) gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

6.2.

Uit vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) volgt dat een bestuursrechtelijke procedure in drie instanties, behoudens uitzonderingen, niet langer dan vier jaar mag duren. Verder is in deze uitspraak overwogen dat in beginsel de hoogte van de schadevergoeding € 500,- bedraagt voor elk half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure in zijn geheel is overschreden.

6.3.

Voor het onderhavige geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 14 januari 2017 tot de datum waarop de Raad uitspraak heeft gedaan zijn vier jaar en afgerond zes maanden verstreken. De Raad ziet geen aanleiding de redelijke termijn voor deze procedure op meer dan vier jaar te stellen. De redelijke termijn is in de rechterlijke fase met (afgerond) zes maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,- ten laste van de Staat.

6.4.

Er is aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante ter zake van het verzoek. Deze kosten worden begroot op € 267,- ter zake van het verzoek om schadevergoeding (1 punt voor het verzoek met een wegingsfactor 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

- veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

- veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 267,-;

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) B.V.K. de Louw