Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1223

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
18/2598 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft de aanvraag voor een Wajong-uitkering terecht afgewezen omdat appellant nu geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2598 WAJONG

Datum uitspraak: 21 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

27 maart 2018, 17/2820 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2021. Appellant is via videobellen verschenen, bijgestaan door mr. Faber en zijn vader [naam vader] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Praagman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1999, heeft met een door het Uwv op 16 maart 2016 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat hij ADHD en PDD-NOS heeft, waardoor hij zich moeilijk kan concentreren en snel afgeleid is. Ook heeft hij moeite met het afronden van taken, vertoont hij druk gedrag en heeft hij veel begeleiding nodig. Tevens kan appellant zich agressief opstellen naar zijn omgeving en kampt hij met woedeaanvallen. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 20 april 2017 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellant nu geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 24 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 20 april 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Daarnaast heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan te nemen dat het Uwv de duurbelasting van appellant onjuist heeft ingeschat. Appellant wordt voor ten minste vier uur per dag belastbaar geacht. Ook heeft de rechtbank geen reden gezien om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsartsen dat appellant gedurende een periode van ten minste een uur aaneengesloten kan werken. Met de stelling dat zijn stage niet is geslaagd, heeft appellant de conclusies van de verzekeringsartsen niet weerlegd. Tevens heeft de rechtbank de vaststelling van het Uwv, dat het ontbreken van arbeidsvermogen bij appellant niet duurzaam is, navolgbaar geacht. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende uiteengezet waarom bij jonge mensen met ontwikkelingsstoornissen in beginsel ervan uit wordt gegaan dat vaardigheden zich nog kunnen ontwikkelen en waarom dit uitgangspunt ook bij appellant kan worden gehanteerd. Uit het zorgplan van Zorggroep [Zorggroep] blijkt dat appellant werkt aan doelstellingen en dat progressie in de toekomst dus niet is uitgesloten. Tevens heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien voor twijfel aan het standpunt van de arbeidsdeskundige dat het voor appellant mogelijk moet zijn om eenvoudige werkzaamheden te verrichten. Er is geen sprake van een situatie waarin de mogelijkheden van appellant tot arbeidsparticipatie zich in het geheel niet (zouden) kunnen ontwikkelen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep te kennen gegeven wegens zijn klachten en beperkingen door autisme en ADHD niet in staat te zijn (eenvoudige) taken te volbrengen, omdat hij deze niet langer dan een kwartier kan volhouden en hij hierbij bovendien veel begeleiding nodig heeft. Ook heeft appellant aangevoerd dat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt en deze in de toekomst ook niet zal ontwikkelen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief van zijn zorggroep van 11 januari 2021 overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Verder heeft het Uwv een taakbeschrijving van de geselecteerde taak overgelegd en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong (voor zover hier van belang) is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

4.1.2.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286.

4.2.1.

Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium). In het beoordelingskader is het volgende stappenplan opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen:

“Stap 1 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.

Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

- er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

- de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen

De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.”

4.2.2.

Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.

4.3.

Tussen partijen is allereerst in geschil of appellant, naast de voorwaarde dat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, voldoet aan de voorwaarden dat hij niet in staat is tot het uitvoeren van een taak in een arbeidsorganisatie, niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur en niet ten minste vier uur per dag belastbaar is.

4.4.

Het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zijn voldoende zorgvuldig en volledig geweest. De verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen hebben op inzichtelijke wijze gemotiveerd hoe zij tot hun standpunt zijn gekomen.

4.5.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn klachten en beperkingen als gevolg van ASS en ADHD. De verzekeringsarts is bekend met de psychische problematiek van appellant en heeft in verband daarmee diverse beperkingen vastgesteld voor het functioneren in arbeid. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hebben na onderling overleg geconcludeerd dat appellant door zijn woedeaanvallen thans niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 21 juli 2017 op inzichtelijke wijze toegelicht dat dit verbaal ongeremd en ongepast gedrag van appellant te begrijpen is vanuit zijn ziekte als teken van onmacht in het hanteren van onduidelijkheden waarmee hij wordt geconfronteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat deze kwetsbaarheid reeds is verwerkt in de beperkingen en voorwaarden die door de verzekeringsarts zijn gesteld, en dat dit niet in de weg staat aan het gedurende ten minste één uur aaneengesloten en ten minste vier uur per dag verrichten van een taak. Appellant heeft geen objectieve medische gegevens ingediend die aanleiding geven voor twijfel aan deze conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Dat, zoals appellant stelt, tijdens de werkzaamheden permanent toezicht moet worden uitgeoefend en intensieve begeleiding nodig is, maakt niet dat appellant reeds daarom niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. Ook als de taak, al dan niet in een beschutte werkomgeving, dient te worden verricht onder permanent toezicht of intensieve begeleiding kan er sprake zijn van arbeidsvermogen. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat appellant op [geboortedatum] 2017, zijn achttiende verjaardag, door zijn woedeaanvallen niet beschikte over basale werknemersvaardigheden en (uitsluitend) om die reden niet beschikte over arbeidsvermogen.

4.6.

Vervolgens moet worden beoordeeld of het ontbreken van basale werknemersvaardigheden bij appellant duurzaam is. Hiertoe wordt het volgende overwogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar de Richtlijn Ontwikkelingsstoornissen Wajong verwezen, waaruit volgt dat dat de ontwikkeling van de diverse vaardigheden bij ontwikkelingsstoornissen veelal trager verloopt en ook langer doorloopt na het achttiende jaar. Dat appellant zijn mogelijkheden tot arbeidsparticipatie op termijn kan ontwikkelen, blijkt ook uit door het door appellant overgelegde zorgplan van 19 april 2017. Hierin staat dat appellant rond de datum in geding ambulante begeleiding kreeg, waarbij aandacht werd besteed aan het ontwikkelen op basis van eigen mogelijkheden en het ontdekken van eigen kracht. Daarnaast volgde appellant in verband met zijn woedeaanvallen een agressieregulatietraining met als doel het verminderen van probleemgedrag en het aanleren van nieuw passend gedrag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat een succesvolle training kan leiden tot een vermindering van agressief gedrag en een verbetering van sociale vaardigheden. Op basis hiervan heeft het Uwv terecht aangenomen dat bij appellant op [geboortedatum] 2017 geen sprake was van een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet konden ontwikkelen.

4.7.

Gelet op 4.6 is voldoende onderbouwd dat op [geboortedatum] 2017 bij appellant geen sprake was van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Het door appellant in hoger beroep overgelegde stuk van de zorggroep bevat geen nieuwe informatie over de medische situatie van appellant op de datum in geding en leidt daarom niet tot een ander oordeel.

5. Uit 4.3 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en F.M. Rijnbeek als leden, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) A.M.M. Chevalier