Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1212

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
19/3076 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Geen sprake van duurzaam gescheiden leven. Terecht rekening gehouden met inkomsten van niet-rechthebbende partner in het buitenland. Geen grond voor afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, PW. Het college heeft terecht rekening gehouden met het inkomen van B. Uit de feiten en omstandigheden van deze zaak blijkt niet ondubbelzinnig dat vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven moet worden gesproken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij en B niet meer de wil hebben om het huwelijk voort te zetten en ook niet dat er daadwerkelijk een beletsel is voor een echtelijke samenleving. De omstandigheid dat echtgenoten naar burgerlijk recht huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen, ongeacht of die naar Nederlands of naar Engels recht tot stand zijn gekomen, is voor de toepassing van de PW niet relevant. Los van de duidelijke keuze van de PW-wetgever laat het sluiten van huwelijkse voorwaarden immers onverlet dat echtgenoten ingevolge het Burgerlijk Wetboek verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen. De wettelijke onderhoudsplicht prevaleert, de bijstand is complementair van aard. In de door appellant aangevoerde omstandigheden heeft het college geen aanleiding hoeven zien voor afstemming in de zin van artikel 18, eerste lid, van de PW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3076 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 25 mei 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 juni 2019, 18/2104 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op verzoek van de Raad een nadere reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2021. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Aydogan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Hij is op [datum huwelijk] 2017 in Maastricht gehuwd met B. B heeft de Britse nationaliteit en zij woont en werkt in Engeland. Het college is door een signaal uit de Basisregistratie personen op de hoogte gesteld van het huwelijk en heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar het recht op bijstand van appellant.

1.2.

Het college heeft appellant bij brief van 12 september 2017 verzocht om vóór 27 september 2017 nadere gegevens over het huwelijk en gegevens over het inkomen en vermogen van hemzelf en van zijn echtgenote te verstrekken. Appellant heeft een aantal gegevens, waaronder een eigen verklaring en een ‘Prenuptial Agreement Template’ (huwelijkse voorwaarden) overgelegd. Appellant heeft verklaard dat hij niet samenwoont met B en dat zij geen gezamenlijke financiële verantwoordelijkheden hebben. In de huwelijkse voorwaarden is onder meer vermeld dat zij hun eigen bezittingen en inkomen behouden en dat zij voorafgaande aan de samenwoning beiden zorg blijven dragen voor hun eigen lasten. Verder maken zij geen aanspraak op partneralimentatie bij scheiding of onderhoudsbijdrage in welke vorm dan ook.

1.3.

Omdat appellant niet de gevraagde gegevens over het inkomen en vermogen van zijn echtgenote had ingeleverd, heeft het college bij besluit van 3 november 2017 het recht op bijstand van appellant vanaf [datum huwelijk] 2017 opgeschort. Hierbij heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld om dit verzuim uiterlijk op 21 november 2017 te herstellen door de gevraagde gegevens alsnog te verstrekken.

1.4.

Bij besluit van 14 december 2017 heeft het college de bijstand van appellant vanaf [datum huwelijk] 2017 beëindigd (lees: ingetrokken) met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW op de grond dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de hersteltermijn heeft verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.5.

Bij besluit van 17 juli 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 december 2017 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college de grondslag voor de intrekking van bijstand gewijzigd en de intrekking gebaseerd op artikel 54, derde lid, van de PW. Volgens het college moet appellant worden aangemerkt als gehuwde die tijdelijk gescheiden leeft van zijn echtgenote. De echtgenote wordt voor de bijstand als niet-rechthebbende aangemerkt, maar voor de bepaling van het recht op bijstand van appellant moet op grond van artikel 32, vierde lid, van de PW wel rekening met haar inkomen worden gehouden. Inmiddels kon het college over de inkomensgegevens van B beschikken, omdat appellant deze in het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand van 31 januari 2018 heeft verstrekt. Gelet op het inkomen van B, dat ruimschoots de voor appellant geldende norm van 50% van de gehuwdennorm plus haar eigen fictieve bijstandsnorm overschrijdt, bevindt appellant zich vanaf [datum huwelijk] 2017 niet meer in bijstandbehoevende omstandigheden. Voor afstemming naar een hogere bijstandsnorm ingevolge artikel 18, eerste lid, van de PW heeft het college geen aanleiding gezien, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Tenslotte heeft het college het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen, omdat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van [datum huwelijk] 2017, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 14 december 2017, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW wordt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is aangemerkt alsongehuwd. Echtgenoten leven pas duurzaam gescheiden, als beiden of één van hen het echtelijk samenleven wil verbreken, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander gehuwd is en dit door ten minste één van beiden als blijvend is bedoeld. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918).

4.4.

In het algemeen kan worden aangenomen dat betrokkenen na het sluiten van een huwelijk de bedoeling hebben om – misschien pas op termijn – echtelijk te gaan samenleven. Alleen in uitzonderlijke gevallen leven betrokkenen vanaf de huwelijksdatum duurzaam gescheiden. Dit moet dan ondubbelzinnig blijken uit concrete feiten en omstandigheden.

4.5.

Het gegeven dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om een duurzaam gescheiden leven aan te nemen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932), kan de echtelijke samenleving ook bestaan zonder dat de betrokkenen samenwonen.

4.6.

Artikel 24 van de PW bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor gehuwden waarvan een echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft de norm voor de rechthebbende echtgenoot gelijk is aan 50% van de norm die voor hem zou gelden als hij gehuwd zou zijn met een rechthebbende echtgenoot.

4.7.

Artikel 32, vierde lid, van de PW bepaalt, in afwijking van het derde lid van dat artikel, dat indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende echtgenoot slechts in aanmerking wordt genomen voor zover het de bijstandsnorm te boven gaat. Met deze bepaling wordt, blijkens de Memorie van Toelichting op artikel 32, vierde lid, van de aan de PW voorafgegane Wet werk en bijstand gegarandeerd dat de niet-rechthebbende echtgenoot kan voorzien in de kosten van de door hem zelfstandig gevoerde huishouding. (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 60).

4.8.

Appellant heeft in hoger beroep zijn in beroep aangevoerde beroepsgrond herhaald dat sprake is van duurzaam gescheiden leven en dat het college daarom ten onrechte rekening heeft gehouden met het inkomen van B. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij en B, ondanks het gesloten huwelijk, nooit hebben samengewoond en dat zij ieder een eigen leven leiden. Het is voor appellant niet mogelijk om verblijf bij B in Engeland te realiseren, omdat hij slechts een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft. Hij kan zich pas bij zijn echtgenote in Engeland voegen als hij een permanente verblijfsvergunning krijgt, maar dat is in de te beoordelen periode niet aan de orde. B woont en werkt in Engeland en wil zich niet in Nederland vestigen.. Het is daarom feitelijk niet mogelijk om samen te wonen. Appellant heeft erop gewezen dat ook bij een door geen van beide echtgenoten gewilde toestand, die voor de voortzetting van de echtelijke samenleving een daadwerkelijk beletsel vormt en waarvan redelijkerwijs niet valt te verwachten dat de echtelijke samenleving kan worden hervat, moet worden aangemerkt als een situatie van duurzaam gescheiden leven. Voorts heeft appellant aangevoerd dat uit de huwelijkse voorwaarden blijkt dat hij en B de financiën strikt hebben gescheiden en dat zij geen wederzijdse onderhoudsverplichting hebben. Gezien al deze omstandigheden leven B en hij volgens appellant duurzaam gescheiden.

4.9.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de feiten en omstandigheden van deze zaak blijkt niet ondubbelzinnig dat vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven moet worden gesproken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij en B niet meer de wil hebben om het huwelijk voort te zetten en ook niet dat er daadwerkelijk een beletsel is voor een echtelijke samenleving. Vergelijk de uitspraak van 9 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3083. Appellant heeft tijdens meerdere gesprekken met een consulent van het college verklaard dat hij op zo kort mogelijke termijn wil emigreren naar Engeland om te gaan samenwonen met zijn echtgenote. Verder hebben appellant en B regelmatig contact met elkaar onderhouden. Appellant heeft verklaard dat hij zijn echtgenote heeft leren kennen in de tijd dat hij nog in Turkije woonde, dat het contact is blijven bestaan, hij haar vaker in Engeland heeft opgezocht en dat zij hem ook in Nederland bezoekt. Tijdens de hoorzitting heeft appellant verklaard dat hij zijn echtgenote acht jaar kent en hun huwelijk een liefdesverklaring is. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant verklaard dat hij en B telefonisch en via Facebook Messenger contact onderhouden en dat hij B met Kerst 2018 nog in Nederland heeft gezien. Dat appellant zich met zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet zonder meer bij B kon voegen en dat B zich niet in Nederland wil vestigen en in Engeland werkt, betekent niet dat het voor appellant en B onmogelijk is om samen te wonen. Het college heeft appellant dan ook terecht als gehuwde aangemerkt die tijdelijk gescheiden leeft van zijn echtgenote en daarbij B terecht aangemerkt als niet-rechthebbende partner. Zij is immers geen ingezetene van Nederland en heeft daardoor geen recht op bijstand.

4.10.

Dat appellant en B in hun huwelijkse voorwaarden hebben opgenomen dat zij elkaar niet hoeven te onderhouden, leidt niet tot een andere conclusie. De omstandigheid dat echtgenoten naar burgerlijk recht huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen, ongeacht of die naar Nederlands of naar Engels recht tot stand zijn gekomen, is voor de toepassing van de PW niet relevant. Los van de duidelijke keuze van de PW-wetgever laat het sluiten van huwelijkse voorwaarden immers onverlet dat echtgenoten ingevolge het Burgerlijk Wetboek verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen. De wettelijke onderhoudsplicht prevaleert, de bijstand is complementair van aard. De Raad heeft dit eerder overwogen in zijn uitspraak van 22 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1458. Bovendien blijkt ook uit de huwelijks voorwaarden niet dat het de bedoeling van partijen zou zijn om gescheiden huishoudens te blijven voeren.

4.11.

Gelet op wat is overwogen in 4.9 en 4.10 en nu appellant de vaststelling van het inkomen van B op (omgerekend) in totaal netto € 2.701,50 per maand en de bijdrage in zijn levensonderhoud die, gelet op dat inkomen, van B op grond van artikel 32, vierde lid, van de PW kan worden gevergd, niet heeft betwist, heeft het college terecht rekening gehouden met het inkomen van B.

4.12.

Op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging dan wel een verhoging van de bijstand is slechts plaats in zeer bijzondere situaties. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492). Het is aan degene die deze afstemming wenst om aannemelijk te maken dat zich een zeer bijzondere situatie voordoet als hiervoor bedoeld.

4.13.

Appellant heeft aangevoerd dat het college de bijstand met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW, gelet op zijn moeilijke financiële situatie, op een hoger bedrag zou moeten afstemmen. Ook in dit kader heeft appellant verwezen naar de huwelijkse voorwaarden op grond waarvan hij voor zijn eigen inkomen en lasten moet zorgdragen. B draagt hierin ook niet bij. Verder zijn er gescheiden huishoudens, elk met eigen kosten en lasten. Appellant heeft wel huur- en zorgtoeslag, maar deze dienen ter dekking van kosten van de huur en de zorgverzekering. Appellant heeft een enorme huurachterstand opgelopen zodat de ontvangst van huurtoeslag niet dekkend is geweest. Ook heeft appellant onvoldoende inkomen gehad om verder schuldenvrij te blijven. Zijn dienstverband bij [bedrijfsnaam] maakt dat niet anders.

4.14.

Deze beroepsgrond treft geen doel. In de door appellant aangevoerde omstandigheden heeft het college geen aanleiding hoeven zien voor afstemming in de zin van artikel 18, eerste lid, van de PW. Het college heeft, naast de omstandigheid dat appellant huur- en zorgtoeslag ontving en vanaf 15 november 2017 inkomen uit arbeid heeft verworven, gelet op 4.9, 4.10 en 4.11, terecht meegewogen dat B kan bijdragen in het levensonderhoud van appellant. Voor de huurachterstand was overigens begin 2018 een regeling getroffen met de verhuurder.

4.15.

Appellant heeft ten slotte zijn eerder aangevoerde beroepsgrond herhaald dat het college ten onrechte geen kosten in bezwaar heeft vergoed. Als een besluit waartegen een bezwaar is gericht wordt herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bestaat recht op een kostenvergoeding in bezwaar. Volgens appellant is dit hier aan de orde, omdat het college in het bestreden besluit de motivering en de wettelijke grondslag voor de intrekking van de bijstand heeft gewijzigd.

4.16.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college met een wijziging van de motivering en wettelijke grondslag het primaire besluit niet heeft herroepen. Het blijft immers zo dat appellant vanaf [datum huwelijk] 2017 geen recht meer heeft op bijstand. Van een ander rechtsgevolg is dan ook geen sprake.

4.17.

Uit 4.1 tot en met 4.16 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2021.

(getekend) M. ter Brugge

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.