Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1208

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
19/1250 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Sprake van consumptief gebruik van auto’s en niet van autohandel. Recht wel vast te stellen. Afgezien van de periode van juni 2017 tot en met juli 2017, waarin twee auto’s op naam van betrokkene stonden geregistreerd, stond telkens één auto op naam van betrokkene geregistreerd, waarbij alle registraties naadloos op elkaar aansloten. Al die auto’s waren afkomstig van en werden ingenomen door hetzelfde autobedrijf. Verder blijkt uit de door betrokkene overgelegde gegevens dat zij telkens een verzekering afsloot voor één auto. De gedingstukken bevatten verder geen enkele aanwijzing dat betrokkene auto’s opknapte of liet opknappen om die vervolgens met winst aan het bevriende autobedrijf te verkopen of om te wisselen voor een duurdere auto. Daarbij is bovendien van belang dat niet in geschil is dat geen van de in aanmerking genomen auto’s een zodanige waarde vertegenwoordigde dat de eigendom ervan leidde tot een overschrijding van de voor betrokkene geldende grens van het vrij te laten vermogen. Gezien de korte duur en het eenmalige karakter van de overlappende registraties acht de Raad daarnaast aannemelijk dat ook met de betreffende auto niet is gehandeld door betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1250 PW

Datum uitspraak: 25 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 februari 2019, 18/7362 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het dagelijks bestuur heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.H. Steenbergen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2021. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A. den Ottelander en D. Frijters. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Steenbergen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving met ingang van 1 januari 2011 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal over een kentekenregistratie op naam van betrokkene heeft het dagelijks bestuur op 12 september 2017 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader is onder meer informatie ingewonnen bij de Dienst Wegverkeer (RDW) en is betrokkene verzocht om nadere gegevens te verstrekken, zoals aan- en/of verkoopbewijzen, betaalbewijzen van betaalde belastingen en autoverzekeringen, alsook bankafschriften over de periode van 1 september 2017 tot 4 december 2017. De bevindingen van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 9 januari 2018. Na een nieuw signaal over kentekens op naam van betrokkene is het dagelijks bestuur op 23 maart 2018 opnieuw een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van bijstandsverlening aan betrokkene. De bevindingen van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 13 april 2018. Uit de onderzoeken komt, voor zover van belang, naar voren dat betrokkene de volgende kentekens op haar naam heeft gehad, waarvan zij geen melding heeft gedaan aan het dagelijks bestuur:

1. [kentekennummer 1] 17/02/2017 t/m 13/03/2017;

2. [kentekennummer 2] 13/03/2017 t/m 16/03/2017;

3. [kentekennummer 3] 16/03/2017 t/m 31/03/2017;

4. [kentekennummer 4] 31/03/2017 t/m 23/06/2017;

5. [kentekennummer 5] 23/06/2017 t/m 02/07/2017;

6. [kentekennummer 6] 23/06/2017 t/m 31/10/2017;

7. [kentekennummer 7] 31/10/2017 t/m 20/12/2017;

8. [kentekennummer 8] 20/12/2017 t/m 26/01/2018;

9. [kentekennummer 9] 26/01/2018 t/m 10/03/2018.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 25 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 september 2018 (bestreden besluit), de bijstand van betrokkene over de maanden maart 2017, juni 2017, juli 2017, oktober 2017, december 2017, januari 2018 en maart 2018 (maanden in geding) in te trekken en de over de maanden in geding gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 7.856,20. Het dagelijks bestuur heeft hieraan ten grondslag gelegd dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat in de maanden in geding diverse auto’s op haar naam geregistreerd stonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand in die maanden niet kan worden vastgesteld. Volgens het dagelijks bestuur heeft betrokkene onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bij de transacties met de kentekens geen voor bijstand relevante geldstromen hebben plaatsgevonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 25 april 2018 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van betrokkene wel kan worden vastgesteld. Betrokkene heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de op haar naam staande auto’s voor consumptief gebruik waren en dat geen sprake was van autohandel.

3. In hoger beroep heeft het dagelijks bestuur zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het dagelijks bestuur heeft – kort samengevat – aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zonder objectief en verifieerbaar bewijs van betrokkene aannemelijk heeft geacht dat de aan- en verkoop van auto’s telkens met gesloten beurs heeft plaatsgevonden en dat daarbij geen geldstromen waren, die van invloed kunnen zijn op de bijstand. Gezien de korte tijd dat de auto’s op naam van betrokkene hebben gestaan kan volgens het dagelijks bestuur van louter consumptief gebruik geen sprake zijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat in de periode van 17 februari 2017 tot en met 10 maart 2018 negen kentekens, elk gedurende betrekkelijk korte tijd, op naam van betrokkene geregistreerd hebben gestaan en dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden door dit niet te melden bij het dagelijks bestuur.

4.2.

Het geding in hoger beroep is beperkt tot het antwoord op de vraag of schending van de inlichtingenverplichting tot gevolg heeft dat het recht op bijstand in de maanden in geding niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Na schending van de inlichtingenverplichting en de daarmee samenhangende bewijslastverdeling ligt het op de weg van betrokkene om aannemelijk te maken dat zij, indien zij de inlichtingenverplichting wel naar behoren zou zijn nagekomen, in de maanden in geding recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad.

4.4.

Voor zover het dagelijks bestuur zich op het standpunt stelt dat betrokkene dit niet aannemelijk heeft gemaakt, reeds omdat zij geen betrouwbare facturen of bewijzen van betaling heeft overgelegd, deelt de Raad dit standpunt niet. Ook anderszins kan aannemelijk worden dat - in een geval als dit - sprake is van consumptief gebruik van auto’s.

4.5.

In de periode van 17 februari 2017 tot en met 10 maart 2018 stond – afgezien van de periode van 23 juni 2017 tot en met 2 juli 2017, waarin twee auto’s op naam van betrokkene stonden geregistreerd – telkens één auto op naam van betrokkene geregistreerd, waarbij alle registraties naadloos op elkaar aansloten. Al die auto’s waren afkomstig van en werden ingenomen door hetzelfde autobedrijf. Niet betwist is dat betrokkene bevriend was met de eigenaren van dit bedrijf en zij haar hielpen omdat zij onder meer vanwege haar gezondheid een auto nodig had. Verder blijkt uit de door betrokkene overgelegde gegevens dat zij telkens een verzekering afsloot voor één auto. Dit is in lijn met haar verklaring dat de auto’s op haar naam stonden, zodat zij beschikte over een auto voor onder andere ziekenhuisbezoek en een verzekering voor de inzittenden nodig had. De stelling van betrokkene dat de ene gebrekkige auto werd omgewisseld voor een andere bij hetzelfde autobedrijf om maar te kunnen rijden, vindt voldoende steun in de feiten. De gedingstukken bevatten verder geen enkele aanwijzing dat betrokkene auto’s opknapte of liet opknappen om die vervolgens met winst aan het bevriende autobedrijf te verkopen of om te wisselen voor een duurdere auto. Daarbij is bovendien van belang dat niet in geschil is dat geen van de in aanmerking genomen auto’s een zodanige waarde vertegenwoordigde dat de eigendom ervan leidde tot een overschrijding van de voor betrokkene geldende grens van het vrij te laten vermogen. Overschrijding van de vermogensgrens is, zoals in hoger beroep ook nog eens herhaald door het dagelijks bestuur, (dan ook) niet aan de intrekking ten grondslag gelegd.

4.6.

Gezien de korte duur en het eenmalige karakter van de overlappende registraties acht de Raad met de rechtbank daarnaast aannemelijk dat ook met de auto met kenteken [kentekennummer 5] niet is gehandeld door betrokkene. Deze auto was, zoals alle andere auto’s, afkomstig van hetzelfde autobedrijf, en is na negen dagen weer op naam van het autobedrijf gezet. Betrokkene heeft die auto niet verzekerd. Betrokkene heeft verklaard dat het autobedrijf bij het omwisselen van een auto een fout heeft gemaakt en dat het deze misslag heeft hersteld door de auto na tien dagen weer op eigen naam te registreren. Voor het oordeel dat de rechtbank dit op grond van de overige feiten van dit geval niet plausibel heeft kunnen achten, bestaat geen grond.

4.7.

Uit 4.5. en 4.6 volgt dat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van consumptief gebruik van de auto’s en niet van autohandel, zodat recht op bijstand bestond. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- voor verleende rechtsbijstand. Ook zal de Raad op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat van het dagelijks bestuur griffierecht wordt geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van
    € 1.068,-;

  • -

    bepaalt dat van het dagelijks bestuur een griffierecht van € 519,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en E.J.M. Heijs en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2021.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.I.S. van Haaren