Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1206

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
19/2896 WBQA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft de aanvraag om een Indicatie banenafspraak terecht afgewezen, omdat appellant het minimumloon kan verdienen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de getrokken conclusies door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Omdat appellant in staat is om een drempelfunctie uit te voeren, wordt hij geacht het wettelijk minimumloon te kunnen verdienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2896 WBQA

Datum uitspraak: 17 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

24 juli 2020, 20/1571 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Yoshikawa, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt van het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Epe een uitkering op grond van de Participatiewet. Appellant heeft met een door het Uwv op 17 juli 2019 ontvangen formulier bij het Uwv een zogeheten Indicatie banenafspraak aangevraagd.

1.2.

In verband met deze aanvraag heeft een verzekeringsarts vastgesteld dat appellant de Indicatie heeft aangevraagd vanwege dezelfde klachten en beperkingen op grond waarvan hem per 1 juni 2015 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is geweigerd. De verzekeringsarts heeft zich op het standpunt gesteld dat de beperkingen neergelegd in de aan die weigering ten grondslag gelegde functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 6 mei 2015 net als bij een hersteldmelding voor de Ziektewet per 8 februari 2017 nog steeds voor appellant gelden. Deze beperkingen zullen volgens de verzekeringsarts meer dan zes maanden duren. Een arbeidsdeskundige heeft hierna vastgesteld dat appellant met inachtneming van deze beperkingen in staat is om een zogeheten drempelfunctie uit te oefenen, waarmee hij het wettelijk minimumloon kan verdienen. Bij besluit van 19 augustus 2019 heeft het Uwv de aanvraag om een Indicatie banenafspraak afgewezen, omdat appellant het minimumloon kan verdienen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 maart 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is verricht, nu appellant door de verzekeringsartsen gezien is op het spreekuur en deze artsen beschikten over uitgebreide informatie uit de behandelend sector. Alle naar voren gebrachte psychische en lichamelijke klachten van appellant zijn op een deugdelijke en kenbare wijze bij de medische beoordeling betrokken, ook de klachten die verband houden met de in 2016 ondergane operatie waarbij een tumor is verwijderd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de verzekeringsartsen van het Uwv de medische belastbaarheid van appellant in hun rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze hebben gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het beroep van appellant geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben toegelicht dat appellant met zijn beperkingen in staat wordt geacht de functie productiemedewerker uit te voeren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er in deze drempelfunctie ruim voldoende rekening wordt gehouden met alle gestelde voorwaarden en beperkingen. De enkele stelling van appellant dat hij deze functie niet kan verrichten, biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond om aan deze conclusie te twijfelen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat appellant een drempelfunctie kan verrichten en daarom terecht heeft besloten appellant niet in aanmerking te brengen voor een Indicatie banenafspraak.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd hij met zijn beperkingen niet in staat is om een drempelfunctie uit te voeren. Appellant heeft gesteld dat zowel het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onzorgvuldig is verricht en dat hij meer beperkingen heeft dan in de FML van 6 mei 2015 zijn aangenomen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraken van

6 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1837 en 10 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3214.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant beperkingen heeft en dat deze nog minimaal zes maanden zullen duren. In geschil is de vraag of appellant met zijn beperkingen in staat is een drempelfunctie uit te voeren zodat hij geacht kan worden het wettelijk minimumloon te verdienen.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest, dat zijn beperkingen onjuist zijn vastgesteld en dat hij geen drempelfunctie kan verrichten. Appellant heeft die stellingen zowel in beroep als in hoger beroep niet verder gemotiveerd en heeft evenmin informatie ingebracht die deze stellingen onderbouwt. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt daarom geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de getrokken conclusies door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven en maakt de Raad tot de zijne.

4.4.

Omdat appellant in staat is om een drempelfunctie uit te voeren, wordt hij geacht het wettelijk minimumloon te kunnen verdienen. Hieruit volgt dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor een Indicatie banenafspraak.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) L.R. Kokhuis