Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1196

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
19/2462 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:3765, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-uitkering terecht beëindigd. Geen twijfel over de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. Voldoende gemotiveerd dat, uitgaande van de FML, de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2462 WIA

Datum uitspraak: 20 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2019, 18/5148 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.F. Desloover, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Desloover. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

F.M.J. Eijmael, die door middel van videobellen heeft deelgenomen aan de zitting.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als schoonmaakster voor 26,8 uur per week.

Op 12 augustus 2013 heeft appellante zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante geweigerd om met ingang van 10 augustus 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.

1.2.

Vanuit de situatie dat appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft appellante zich ziek gemeld met ingang van 7 oktober 2015. Appellante heeft zich met ingang van die datum ook gemeld bij het Uwv met toegenomen klachten. Het Uwv heeft appellante met ingang van 7 oktober 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 6 december 2016 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend.

1.3.

In het kader van een herbeoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts van 23 oktober 2017. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 januari 2018. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 12,41%. Het Uwv heeft bij besluit van 10 april 2018 de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellante met ingang van 11 juni 2018 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 augustus 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 31 juli 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 17 augustus 2018 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om aanvullende beperkingen aan te nemen en die verwerkt in de FML van 2 augustus 2018. De arbeidsdeskundige heeft hierin geen aanleiding gezien om de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid te wijzigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat er geen reden is om aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek te twijfelen en dat de door appellante aangevoerde gronden geen reden geven het medisch oordeel, dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat er uit energetisch en preventief oogpunt geen aanleiding is voor een urenbeperking en dat appellante op de datum in geding ook geen intensieve behandeling volgde die tot een urenbeperking noodzaakte. Ten aanzien van de in beroep overgelegde brieven van de psycholoog, huisarts, pijnspecialist en de gynaecoloog heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 24 april 2019 zich op het standpunt gesteld dat deze brieven geen nieuwe medische informatie bevatten. De rechtbank heeft geen reden om aan dit medisch oordeel te twijfelen. Dat volgens de gynaecoloog endometriose sociaal en fysiek revaliderend kan zijn, maakt dat niet anders. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de brief niet valt op te maken of dit ook het geval is bij appellante en zo ja, waarin de beperkingen dan zijn gelegen. Ook overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend was met de darmklachten van appellante, zoals beschreven in de brief van de diëtiste. Dat appellante zich vanwege haar darmklachten belemmerd voelt in de sociale omgang is begrijpelijk, maar biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond om aan de conclusies van de verzekeringsartsen dat appellante fulltime kan werken, te twijfelen. Verder is door de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen ook bekend waren met de in de brief van de bekkenfysiotherapeut genoemde endometriose met buikpijn. Los van het feit dat deze brief, evenals die van de diëtiste, niet afkomstig is van een medicus, bevat de brief naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten die twijfel doet zaaien aan het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om een medisch deskundige te benoemen. De rechtbank heeft ook geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verzekeringsartsen haar medische problematiek hebben onderschat en dat een deel van de klachten niet, althans onvoldoende, in de FML is verdisconteerd. Dit betreft met name de gynaecologische klachten en buikklachten. De aard en ernst van deze klachten blijkt uit de ingebrachte informatie van de behandelend gynaecoloog en de diëtiste. Appellante heeft elke maand gedurende acht à negen dagen in aanmerkelijk forsere mate dan regulier, last van endometriose. In de informatie van de gynaecoloog, dat sprake is van een sociaal en fysiek invaliderende problematiek, had de rechtbank aanleiding moeten zien een deskundige in te schakelen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante nog een nader schrijven van de gynaecoloog van 26 juli 2019 en een bericht van de praktijkondersteuner huisarts GGZ van 2 augustus 2019 ingebracht. Daarnaast heeft appellante (verwijs)brieven ingebracht van een bekkenfysiotherapeut, orthopeed, reumatoloog en ergotherapeut.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij verwezen naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 augustus 2019 en van 14 augustus 2018.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 11 juni 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-uitkering van appellante heeft beëindigd.

4.3.

De gronden van appellante zijn uitsluitend gericht tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. Deze gronden zijn in de aangevallen uitspraak gemotiveerd besproken.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde, onder 2 weergegeven, overwegingen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten voldoende gemotiveerd op welke wijze in de FML van 2 augustus 2018 rekening is gehouden met de gynaecologische klachten en buikklachten als gevolg van de endometriose. De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van de gynaecoloog, vormt geen aanleiding om het medisch oordeel in twijfel te trekken en geeft geen onderbouwing voor meer of verdergaande beperkingen vanwege deze klachten. De gynaecoloog licht in zijn nader schrijven van 26 juli 2019 toe dat klachten als gevolg van endometriose bij vrouwen in meer of mindere mate sociaal en fysiek invaliderend kunnen zijn. Ten aanzien van appellante acht de gynaecoloog het weliswaar aannemelijk dat de klachten tot beperkingen kunnen leiden met name rondom de menstruatie, maar of appellante daarbuiten ook klachten heeft kan de gynaecoloog niet beoordelen. Gelet hierop wordt de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in zijn conclusie dat de informatie van de gynaecoloog met name een algemene beschouwing met betrekking tot de aandoening endometriose betreft en aanvullende medische bevindingen ten aanzien van appellante, ook betrekking hebbend op de datum in geding, niet worden beschreven. Ook uit de brieven van de bekkenfysiotherapeut zijn geen aanknopingspunten te ontlenen voor het oordeel dat de buikklachten zijn onderschat en meer of verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De hierin vermelde problematiek en klachten waren bekend en zijn meegenomen bij de medische beoordeling.

4.5.

Voor zover appellante met de overgelegde informatie van haar behandelaars en haar stellingen ter zitting heeft betoogd dat ook haar schouderklachten zijn onderschat, slaagt dit betoog evenmin. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn conclusie, zoals neergelegd in het rapport van 16 december 2020, dat de bedoelde informatie ziet op de medische situatie van ver na de datum in geding. In dit verband wordt nog overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het vaststellen van de beperkingen rekening heeft gehouden met de rug-, schouder-, en nekklachten van appellante en in verband daarmee in de FML beperkingen heeft aangenomen.

4.6.

Nu er geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv, wordt geen aanleiding gezien voor benoeming van een onafhankelijk deskundige.

4.7.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat, uitgaande van de FML van 2 augustus 2018, de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2021.

(getekend) S. Wijna

(getekend) G.S.M. van Duinkerken