Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
19/1576 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat geen recht is ontstaan op uitkering op grond van artikel 55 eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. De beperkingen van appellant (uit dezelfde oorzaak) zijn niet toegenomen binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 7 augustus 2013. Voldoende medische grondslag. Voldoende toegelicht dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1576 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 maart 2019, 18/3863 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 mei 2021

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep met een bijgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

Appellant heeft daarop gereageerd.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreid overzicht van de voorgeschiedenis verwijst de Raad naar de overwegingen 1.1 tot en met 1.3 van de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2.

Appellant heeft voor het laatst gewerkt als keukenmedewerker voor 32 uur per week. Daarnaast ontving hij een werkloosheidsuitkering. Op 10 augustus 2010 heeft appellant zich ziek gemeld met klachten door neuralgische amyotrofie. Bij besluit van 2 juli 2013 heeft het Uwv geweigerd appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 7 augustus 2013 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. Dit besluit staat in rechte vast.

1.3.

Appellant heeft zich op 20 maart 2018 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten met ingang van 1 april 2015. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 14 mei 2018 geweigerd om appellant per 1 april 2015 een WIA-uitkering toe te kennen. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat de beperkingen van appellant (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 7 augustus 2013. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 oktober 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Uit de medische rapporten blijkt dat de informatie van de behandelaars bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank heeft geen reden gezien te twijfelen aan de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. De medische informatie van de behandelaars wijst niet op een zodanige verergering van de rug- en schouderklachten per 1 april 2015 dat per die datum voor appellant verdergaande beperkingen in werk gelden dan in de FML zijn opgenomen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep levert het oorsuizen geen beperking op in arbeid. Wat betreft de urologische klachten heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat die klachten nieuw zijn en geen verband houden met de eerdere klachten. Omdat in het bestreden besluit onduidelijk was of er een zogenoemde Amber-beoordeling was verricht, heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv het gestorte griffierecht aan appellant vergoedt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische klachten en de informatie van de behandelaars. Het oorsuizen houdt wel degelijk verband met zijn eerdere klachten. De urologische klachten zijn serieus. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij brieven overgelegd van de huisarts, de revalidatie arts, de kno-arts, de pijnspecialist, de radioloog, de psycholoog en de oogarts.

3.2.

Het Uwv heeft – met verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 maart 2017, 31 juli 2020 en 18 november 2020 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 december 2020 – verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft daarbij gesteld dat er per 1 april 2015 wel sprake is van een toename van de beperkingen, maar dat de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van functieduiding moet worden gesteld op minder dan 35%.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

4.2.

In geschil is of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat bij appellant met ingang van 1 april 2015 geen recht is ontstaan op uitkering op grond van artikel 55 eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.

4.3.

De vraag of sprake is van toegenomen beperkingen gaat vooraf aan de vraag waardoor deze worden veroorzaakt. De vraag of de beperkingen van appellant op 1 april 2015 zijn toegenomen, moet plaatsvinden aan de hand van een vergelijking tussen de beperkingen, zoals die zijn neergelegd in de FML van 31 oktober 2013, en de beperkingen die zijn vastgesteld naar aanleiding van de melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 april 2015 (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 31 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1683).

4.4.1.

In de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 juli 2020 en 18 november 2020 heeft deze arts zich nader uitgelaten over het oorsuizen en de verminderde concentratie. Daarbij is gesteld dat bij appellant in verband met psychische klachten sprake is van een verminderde concentratie, die leidt tot beperkingen ten aanzien van verdelen van de aandacht, aanpassen aan sterk wisselende omstandigheden, frequente deadlines en productiepieken, werk met veelvuldige storingen en onderbrekingen en werk met hoog handelingstempo. In de aangepaste FML van 25 november 2020 zijn hiervoor beperkingen aangenomen. Bij oorsuizen kan de concentratie verminderen, maar dat geeft geen andere beperkingen. Ten aanzien van de urologische klachten bestaat geen reden voor extra beperkingen.

4.4.2.

De kno-arts benoemt in zijn brief van 1 november 2016 dat zowel de neuralgische amyotrofie als het gehoorverlies kunnen bijdragen aan het oorsuizen. Naar het oordeel van de Raad is in de aangepaste FML van 25 november 2020 voldoende rekening gehouden met beperkingen als gevolg van het oorsuizen.

4.4.3.

Voor zover de urologische klachten niet zijn te beschouwen als een andere oorzaak, wordt overwogen dat in de FML van 31 oktober 2013 en in de FML van 25 november 2020 is opgenomen dat er een wc in de buurt moet zijn. Niet gebleken is dat die beperking onvoldoende is.

4.5.

Wat betreft de schouder- en rugklachten overweegt de Raad dat uit het lichamelijk onderzoek op 16 juli 2015 naar voren komt dat, behoudens enige afwijkingen aan de schouders, geen sprake is van afwijkingen en alle bewegingen normaal mogelijk zijn. Zowel in de FML van 31 oktober 2013 als in de FML van 25 november 2020 zijn voor de linkerschouder beperkingen aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschrijft in het rapport van 5 oktober 2018 dat deze beperkingen stationair zijn. Uit de door appellant overgelegde stukken van zijn behandelaars is niet af te leiden dat op 1 april 2015 meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen.

4.6.

Uitgaande van de FML van 25 november 2020 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vijf functies geselecteerd en berekend dat de theoretische verdiencapaciteit van appellant op grond van de drie functies met de hoogste lonen 9,53% bedraagt. In het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 december 2020 is voldoende toegelicht dat deze functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

4.7.

Uit 4.4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal – met verbetering van gronden – worden bevestigd.

5. In hoger beroep heeft het Uwv de FML aangepast en arbeidskundig onderzoek gedaan. Het Uwv heeft dus pas in hoger beroep een deugdelijke motivering aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd omdat aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Het bestreden besluit kan dus in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb dient het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat het Uwv het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2021.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D.S. Barthel