Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1190

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
19/652 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte geweigerd Wajong-uitkering toe te kennen. De motivering van de verzekeringsarts is niet overtuigend en toereikend. Geconcludeerd wordt dat het ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in het geval van appellant duurzaam is te achten. De Raad herroept het besluit en bepaalt dat appellant recht heeft op een Wajong-uitkering op grond van artikel 2:45 van de Wajong.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 652 WAJONG

Datum uitspraak: 19 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 december 2018, 18/255 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Visscher, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2021. Namens appellant is zijn vader, [A.] , verschenen, bijgestaan door mr. E. Ceylan, advocaat en kantoorgenoot van mr. Visscher. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door G. Sjoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1995, heeft in verband met psychische beperkingen sinds 17 juni 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

1.2.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Het Uwv heeft uit eigen beweging beoordeeld of appellant niet inmiddels als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is aan te merken. Bij brief van 7 juni 2016 heeft het Uwv aan appellant een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellant arbeidsvermogen heeft. Appellant heeft in reactie daarop te kennen gegeven een nadere toelichting op de voorlopige beoordeling te willen ontvangen. Bij besluit van 5 december 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

1.3.

Appellant heeft bezwaar ingediend tegen het besluit van 5 december 2016. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv aan appellant het voornemen gestuurd om het besluit van 5 december 2016 te herzien, in de zin dat appellant op dat moment geen arbeidsvermogen heeft, maar dat hij wel in staat is om dit te ontwikkelen. Appellant heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze wijziging. Bij besluit van 14 december 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 9 augustus 2018 heeft de rechtbank tussenuitspraak gedaan, waarbij het Uwv de gelegenheid heeft gekregen om het door de rechtbank in het bestreden besluit geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen. De rechtbank mist met name een toelichting op de ontwikkeling die appellant zal moeten doormaken om van “dagbesteding als het hoogst haalbare” uit te komen op het beschikken over basale werknemersvaardigheden. Ook ontbreekt een vermelding van de taak die appellant zal moeten kunnen verrichten.

2.2.

Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid het door de rechtbank vastgestelde gebrek van het bestreden besluit te herstellen door een nadere motivering te geven met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 augustus 2018 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 4 september 2018.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullend rapport een inschatting van de ontwikkeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft gemaakt die berust op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden. Bij appellant is geen sprake van een progressieve aandoening, maar van een stabiele aandoening waarvoor volgens zijn behandelaar bij Altrecht nog verdere behandelmogelijkheden bestaan in de vorm van begeleiding en activering. Door appellant te stimuleren en motiveren kan hij onder begeleiding van een jobcoach vaardigheden ontwikkelen in dagbesteding en leren volhouden. De rechtbank begrijpt hieruit dat het begrijpen en uitvoeren van instructies hiermee kan verbeteren. Nu het Uwv het gebrek naar het oordeel van de rechtbank heeft hersteld, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft verder aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en het door appellant betaalde griffierecht.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat uit de motivering van het Uwv dat appellant vaardigheden zou kunnen ontwikkelen in dagbesteding en kan leren volhouden, volgt dat appellant het begrijpen en uitvoeren van instructies hiermee kan verbeteren.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van

14 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2570. Uit de uitspraak van 31 december 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:3482) volgt dat het begrip ‘volledig en duurzaam arbeidsongeschikt’ in hoofdstuk 2 van de Wajong na 1 januari 2015 gelijk is aan het begrip ‘duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’ in artikel 1a van het Schattingsbesluit en hoofdstuk 1a van de Wajong.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant op 1 januari 2018 geen arbeidsvermogen had. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen op die datum duurzaam was.

4.3.1.

Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium). In het beoordelingskader is het volgende stappenplan opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen:

“Stap 1 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.

Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

- er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

- de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen

De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

- het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.”

4.3.2.

Het gaat bij de vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen om de toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moeten een inschatting maken over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij de betrokkene kunnen ontwikkelen. Dit brengt volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018) voor een zorgvuldige besluitvorming mee dat de inschatting van de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige van de ontwikkeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betrokkene aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de situatie van de betrokkene op de datum in geding. In het geval de inschatting van de mogelijkheden tot ontwikkeling berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de betrokkene. Als de betrokkene bezwaar maakt tegen het oordeel dat geen sprake is van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, zal de verzekeringsarts bezwaar en beroep en/of de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, rekening houdend met alle medische en arbeidskundige gegevens die in de bezwaarfase voorhanden zijn, voor zover deze betrekking hebben op de datum in geding, beoordelen of de inschatting van het niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen gehandhaafd moet blijven.

4.4.

De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hebben geconcludeerd dat appellant niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Volgens hen is er geen sprake van een progressieve aandoening of een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Nu het minder goed met appellant ging, omdat hij in 2016 zijn medicatie niet goed innam, is het niet uitgesloten dat er nog een ontwikkeling mogelijk is en hij nog arbeidsvermogen ontwikkelt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de behandelaar simulatie richting werk heeft geadviseerd en passend bij het ziektebeeld en de jonge leeftijd van appellant niet is uit te sluiten dat er op termijn ontwikkeling zal zijn richting arbeidsvermogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank een nadere motivering voor dit standpunt gegeven. Volgens de arts heeft er de laatste jaren weinig behandeling of activering plaatsgevonden. Appellant is een aantal dagen per week in de bakkerij, waar hij soms wat klusjes doet en verder is hij thuis. Met stimulatie en mogelijk ook meer structuur en daarom is het niet uit te sluiten dat appellant mogelijk in staat is om nog enige bekwaamheden te ontwikkelen, zoals ook wordt vermeld door de behandelaar van Altrecht.

4.5.

Anders dan de rechtbank acht de Raad de hiervoor genoemde motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om de volgende redenen niet overtuigend en toereikend.

4.6.

Bij appellant zijn de diagnoses psychotische stoornis nao, misbruik van cannabis (in remissie sinds 2013) en zwakbegaafdheid gesteld. Het beoordelingsmoment van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen is 1 januari 2018. Uit het behandelplan van 10 november 2016 (behandelplan) komt naar voren dat de ouders van appellant beter op medicatie inname van appellant letten en dat zijn spiegels weer terug op het juiste niveau zijn. Medicatieontrouw van appellant op 1 januari 2018 lijkt dan ook niet meer aan de orde te zijn bij de verwachting of verbetering van de situatie zich kan voordoen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met name belang gehecht aan het behandeldoel van Altrecht uit het behandelplan van 10 november 2016, dat appellant gemotiveerd moet worden om een passende dagbesteding op te pakken en vol te houden in samenwerking met een jobcoach van het Uwv. Uit de stukken komt naar voren dat appellant regelmatig in de bakkerij van zijn ouders is. De behandelaars van Altrecht hebben echter al in december 2016 bij de arbeidsdeskundige te kennen gegeven dat deze dagbesteding het hoogst haalbare is gebleken (zie het rapport van de arbeidsdeskundige van 27 juli 2017). Appellant ging rond de datum in geding dagelijks met zijn ouders naar hun bakkerij waar hij grotendeels alleen maar aanwezig was en koffie dronk. Zoals ook door de vader van appellant ter zitting nader is toegelicht, helpt appellant slechts incidenteel door bijvoorbeeld geld aan te nemen van bepaalde klanten, maar verricht hij niet zelfstandig taken. Appellant is aanwezig in de bakkerij, omdat hij niet alleen thuis kan worden gelaten. Uit het behandelplan komt ook naar voren dat appellant met hulp van een jobcoach van het Uwv al meerdere vormen van dagbesteding heeft geprobeerd, maar dat er tot nu toe geen geschikte plek is gevonden. Gelet hierop en het feit dat eind 2016 door de behandelaar is vastgesteld dat deze uiterst marginale vorm van dagbesteding in de bakkerij het hoogst haalbare is en tot in ieder geval 1 januari 2018 geen verbetering in de basale werknemersvaardigheden is opgetreden, is door het Uwv - nog steeds - niet afdoende concreet en op appellant toegesneden onderbouwd op welke wijze stimulatie en mogelijkerwijs structuur zouden kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van diens basale werknemersvaardigheden. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep al eerder een nadere motivering heeft gegeven nadat zijn aanvankelijke motivering als gebrekkig was beoordeeld, wordt door de rechtbank geen reden gezien om het Uwv nogmaals de mogelijkheid te bieden zijn standpunt nader te motiveren.

4.7

Gelet op wat in overwegingen 4.4 tot en met 4.6 is overwogen, slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep van appellant is gegrond, het bestreden besluit zal worden vernietigd. Geconcludeerd wordt dat het ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in het geval van appellant duurzaam is te achten. Daarmee voldoet appellant aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering op grond van artikel 2:45 van de Wajong. Er bestaat dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat appellant met ingang van 1 januari 2018 recht heeft op een Wajong-uitkering op grond van artikel 2:45 van de Wajong, wat betekent dat zijn uitkering ook na 1 januari 2018 75% van het minimumloon bedraagt.

5. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- voor de kosten in de bezwaarprocedure (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting ). De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor de verleende rechtsbijstand in beroep vastgesteld op € 1.252,50, wat niet betwist is door partijen in hoger beroep. De kosten in hoger beroep worden vastgesteld op € 1.068,- voor de verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting), met een waarde per punt van € 534,-. Het bedrag aan kosten dat in aanmerking komt voor vergoeding is daarmee in totaal € 3.388,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 december 2017;

  • -

    herroept het besluit van 5 december 2016, bepaalt dat appellant met ingang van 1 januari 2018 recht heeft op een Wajong-uitkering op grond van artikel 2:45 van de Wajong en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 14 december 2017;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 3.388,50;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2021.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) V.M. Candelaria