Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1185

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
19/1066 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van besluit tot intrekken en terugvordering AIO-aanvulling. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Geen discriminatoir onderzoek naar vermogen. De stelling dat sprake is van een onmiskenbaar onjuist besluit doordat het berust op een discriminatoire behandeling, mist feitelijke grondslag. Er is geen grond om aan te nemen dat de Svb zijn beleid, dat het terugkomt van een besluit als het onmiskenbaar onjuist is, niet juist heeft toegepast. Verder is er geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijzing van het herzieningsverzoek van appellante evident onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1066 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2019, 18/4260 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 18 mei 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2021. Namens appellanten is mr. Küçükünal verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen sinds 1 oktober 2007, in aanvulling op een onvolledig ouderdomspension ingevolge de Algemene Ouderdomswet, bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening (AIO-aanvulling), laatstelijk van de Svb op de grond van de Participatiewet.

1.2.

Op 1 januari 2014 heeft een medewerker van de Svb gemeld dat appellanten ieder jaar minstens vier maanden in Turkije verblijven en dat zij in november 2005 en april 2008 een concreet verblijfadres in de deelgemeente [deelgemeente] van Ankara (deelgemeente), Turkije, hebben opgegeven. In deze melding heeft de Svb aanleiding gezien om, met tussenkomst van het Internationaal Bureau Fraude-informatie, het Bureau Attaché Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade te Ankara (Bureau Attaché) een onderzoek te laten instellen naar eventueel vermogen van appellanten in Turkije. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapportage van 3 maart 2015. Uit deze rapportage komt naar voren dat appellant geregistreerd staat bij de afdeling onroerendezaakbelasting van de deelgemeente als belastingplichtige voor een woning. Volgens de aangifte van die belasting hebben appellanten de woning voor of op 28 april 2006 verworven. Uit verder kadastraal- en omgevingsonderzoek blijkt de registratie betrekking te hebben op een pand van twee verdiepingen met gescheiden woningen. Een lokale makelaar heeft de actuele waarde van de bouwgrond waarop de woning zich bevindt op 27 februari 2015 getaxeerd op 100.000 TL (omgerekend € 35.463). De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een handhavingsrapportage van 12 maart 2015. De Svb heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van 3 augustus 2015 het recht op AIO-aanvulling van appellanten vanaf 1 oktober 2007 in te trekken en meegedeeld dat appellanten over de periode van oktober 2007 tot en met juli 2015 ten onrechte een AIO-aanvulling tot een bedrag van € 29.096,84 hebben ontvangen. Bij besluit van 2 februari 2016 heeft de Svb het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 3 augustus 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Op 29 oktober 2015 hebben appellanten de Svb verzocht terug te komen van het onder 1.2 genoemde besluit van 3 augustus 2015. Bij besluit van 15 maart 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juli 2018 (bestreden besluit), heeft de Svb dit verzoek afgewezen. Aan dit besluit heeft de Svb – voor zover van belang – ten grondslag gelegd dat de door appellanten op 9 februari 2016 en 28 juli 2016 overgelegde kadastrale gegevens niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat evenmin gezegd kan worden dat het oorspronkelijk besluit onmiskenbaar onjuist is als bedoeld in de door de Svb gehanteerde beleidsregels. De kadastrale gegevens komen immers overeen met resultaten van het onderzoek in 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geding is het verzoek van appellanten dat ertoe strekt dat de Svb terugkomt van zijn besluit van 3 augustus 2015. De Svb heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.2.

Uit de uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, vloeit voort dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel is gekomen dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert met betrekking tot – kort gezegd – de toepassing van artikel 4:6 van de Awb, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid.

4.3.

De Svb voert een dergelijk beleid. Dit beleid houdt – voor zover hier van belang – in dat de Svb terugkomt van een besluit als het onmiskenbaar onjuist is.

4.4.

Zoals ter zitting nader door appellanten is toegelicht, is niet in geschil dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de onder 4.2 genoemde zin. Appellanten voeren aan dat de Svb met het in 2013 tot 2019 uitgevoerde onderzoek naar vermogen in het buitenland van AIO-gerechtigden met een ander land van herkomst dan Nederland in strijd heeft gehandeld met het discriminatieverbod. Nu appellanten zijn geselecteerd voor dit onderzoek en de resultaten daarvan ten grondslag zijn gelegd aan de besluitvorming van de Svb, is het besluit van 3 augustus 2015 onmiskenbaar onjuist. Ter onderbouwing hiervan hebben appellanten verwezen naar de eerst ter zitting door hen aangehaalde stukken, namelijk een door de Svb gehanteerde “interne werkinstructie dienstverlening onderzoek verblijf en vermogen in het buitenland” die gold op 1 december 2017 en een brief van de manager juridisch beleid van de Svb van 18 maart 2021. De brief heeft betrekking op het in het kader van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur door de gemachtigde van appellanten gestelde vragen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Uit de gedingstukken blijkt dat in het geval van appellanten hun veelvuldig en langdurig verblijf in het buitenland de aanleiding is geweest voor een nader onderzoek. De start van het onderzoek was dus gelegen in een concreet en objectief feit in het individuele geval van appellanten. Anders dan appellanten hebben gesteld, blijkt niet uit het dossier dat zij geselecteerd zijn in het kader van het onder 4.4 genoemde onderzoek. Immers, iedere verwijzing naar dat onderzoek en zijn elementen, zoals het formulier “Verblijf en vermogen in het buitenland”, een selectie en een huisbezoek ontbreken. De stelling dat sprake is geweest van een onmiskenbaar onjuist besluit doordat het berust op een discriminatoire behandeling, mist dus feitelijke grondslag. Daarom bestaat geen grond om aan te nemen dat de Svb zijn in 4.3 genoemd beleid niet juist heeft toegepast. In de stellingen van appellanten wordt verder geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de afwijzing van het herzieningsverzoek van appellanten evident onredelijk is.

4.6.

Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2021.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.B. Beerens