Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
19/2063 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet gemelde woning in Turkije. Te houden aan afgelegde verklaring. De verklaring van appellanten over hun woning in Turkije wordt ondersteund door overige gegevens. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat appellanten de beschikking hebben gehad over een woning in Turkije. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door hen afgelegde verklaring betrekking had op hun woning in Nederland. Appellanten worden aan hun afgelegde verklaring gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2063 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 april 2019, 18/5687 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 18 mei 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2021. Namens appellanten is mr. Küçükünal verschenen. Het college heeft zich, via videobellen, laten vertegenwoordigen door R. Omijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 14 augustus 2009 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.

1.2.1.

Naar aanleiding van een op 15 juli 2017 ontvangen anonieme melding dat appellanten beschikken over een woning in Ankara en een perceel grond met een totale waarde van € 170.000,- hebben medewerkers van Team Fraudebestrijding (medewerkers) van de gemeente Tilburg een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In het kader hiervan hebben de medewerkers onder meer, in opdracht van het college en met tussenkomst van het Internationaal Bureau Fraude-informatie, het Bureau Attaché Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade te Ankara (Bureau Attaché) verzocht een onderzoek in te stellen naar eventueel vermogen van appellanten in Turkije. Tevens hebben de medewerkers appellanten op 7 november 2017 gehoord. Tijdens dit gesprek hebben appellanten verklaard dat zij een huis in [plaatsnaam] bezitten en dat dit huis leeg is. Voorts hebben zij verklaard dat zij dachten het huis 40 jaar geleden gekocht te hebben voor fl. 25.000 en niet te beschikken over documenten van deze woning. Appellanten hebben het van hun verklaring opgemaakte verslag ondertekend. In dat verslag is opgenomen dat zij kennis hebben genomen van wat zij hebben verklaard en de inhoud hiervan goed begrepen te hebben. Bij brief van 7 november 2017 heeft het college vervolgens appellanten verzocht om nadere gegevens te verstrekken met betrekking tot de hiervoor door appellanten gemelde onroerende zaak. In reactie op dit verzoek hebben appellanten bij brief van 16 november 2017 het college meegedeeld dat hun afgelegde verklaring zag op een koopwoning in Nederland.

1.2.2.

Vervolgens heeft het college een rapportage ontvangen van Bureau Attaché van 11 januari 2018. Uit deze rapportage blijkt dat appellant als belastingplichtige bekend is bij de afdeling onroerendzaakbelasting van de deelgemeente Yenimahalle te Ankara, wat betekent dat appellant belastingaangifte heeft gedaan met betrekking tot het bezit van één of meer onroerende zaken. In verband hiermede heeft Bureau Attaché het college geadviseerd om appellanten te verzoeken kadastrale gegevens te verstrekken met betrekking tot het bezit van onroerende zaken in Turkije dan wel een machtiging af te geven zodat Bureau Attaché aanvullend onderzoek kan verrichten.

1.2.3.

Bij brief van 23 januari 2018 heeft het college appellanten wederom verzocht om nadere gegevens te verstrekken over het bezit van de woning waarover zij op 7 november 2017 hebben verklaard. Appellanten hebben geen gegevens overgelegd waarna het college bij besluit van 23 november 2017 het recht op bijstand van appellanten met ingang van 7 november 2017 heeft ingetrokken.

1.2.4.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 13 maart 2018.

1.3.

In de resultaten van het onderzoek heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 10 april 2018 de bijstand van appellanten in te trekken over de periode van 14 augustus 2009 tot en met 6 november 2017. Bij besluit van 25 mei 2018 heeft het college de over de periode van 14 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2017 gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 133.411,03. Bij besluit van 6 juli 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 10 april 2018 en 25 mei 2018 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellanten hun inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW hebben geschonden door geen inlichtingen over hun woning in Turkije te verstrekken op grond waarvan het recht op bijstand in de periode in geding niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben hiertoe het volgende aangevoerd. Appellanten zijn de Nederlandse taal niet machtig en hebben het gesprek op 7 november 2017 niet goed kunnen volgen. Zij kunnen derhalve niet aan hun verklaring gehouden worden dat zij een huis in Ankara bezitten. Dit klemt te meer nu wat zij hebben verklaard ook niet juist kan zijn. Het is niet aannemelijk dat appellanten, gelet op hun leeftijd, 40 jaar geleden, een huis van fl. 25.000 zouden hebben kunnen kopen. Voorts zijn appellanten van mening dat het bestreden besluit berust op een onjuiste juridische grondslag. Het niet overleggen van een machtiging, waarom door Bureau Attaché is verzocht, zou hooguit een schending van de medewerkingsverplichting in de zin van artikel 17, tweede lid, van de PW op kunnen opleveren. Dit zou als gevolg daarvan slechts een intrekking met ingang van 7 november 2017 kunnen rechtvaardigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 14 augustus 2009 tot en met 6 november 2017 (te beoordelen periode), de periode waarover het recht op bijstand is ingetrokken.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.3.

Appellanten hebben op 7 november 2017 een verklaring afgelegd tegenover twee handhavingsspecialisten. Het daarvan opgemaakte verslag hebben appellanten, na kennisneming, zonder voorbehoud ondertekend. Uit deze verklaring kan niet worden afgeleid dat appellanten door het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal niet zouden hebben begrepen wat zij hebben verklaard. Dit is ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt.

4.4.

Uit de brief van appellanten van 16 november 2017 wordt opgemaakt dat blijkbaar niet in geschil is dat appellanten al 40 jaar een woning in hun bezit hebben. In wat appellanten hebben verklaard op 7 november 2017 over hun woning in Ankara, wat wordt ondersteund door de gegevens van Bureau Attache, zoals onder 1.2.2 is vermeld, heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat appellanten gedurende de te beoordelen periode de beschikking over een woning in Turkije hadden. Appellanten hebben geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de door appellanten op 7 november 2017 overgelegde verklaring betrekking zou hebben op hun woning in Nederland. Aan de stelling dat appellanten niet aan hun op 7 november 2017 afgelegde verklaring kunnen worden gehouden omdat zij gelet op hun leeftijd 40 jaar geleden te jong waren voor de aanschaf van een woning wordt voorbijgegaan. Dit zou immers ook gelden voor de aanschaf van een woning in Nederland.

4.5.

Gelet op 4.3 en 4.4 heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellanten, door geen melding te maken van de eigendom van een woning in Turkije gedurende de te beoordelen periode, de op hen rustende inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17,
eerste lid, van de PW hebben geschonden. Aan het bestreden besluit heeft het college geen schending van de medewerkingsverplichting van het tweede lid van dit artikel ten grondslag gelegd zodat aan de grond van appellanten hierover voorbij wordt gegaan wegens het ontbreken van feitelijke grondslag.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2021.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.B. Beerens