Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1183

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
19/5297 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzien, gedeeltelijk ingetrokken en teruggevorderde bijstand. Niet melden van een hennepkwekerij in woning op uitkeringsadres.

Ook al zou appellant geen inkomsten uit de hennepkwekerij hebben ontvangen omdat er niet is geoogst, dan nog heeft hij op geld waardeerbare werkzaamheden verricht. College heeft dus niet onzorgvuldig gehandeld door geen onderzoek te doen naar mogelijke inkomsten. College hoefde benadeling niet aan te tonen. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Het lag op weg van appellant om recht op aanvullende bijstand aannemelijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5297 PW, 20/567 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 oktober 2019, 18/5900 en 18/5906 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 18 mei 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft gereageerd op door de Raad schriftelijk gestelde vragen.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, omdat partijen niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Daarna heeft de Raad op 6 april 2021 het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 6 juli 2016 bijstand op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van netbeheerder Stedin dat in de woning van appellant op 31 augustus 2017 een hennepkwekerij aangetroffen, is een medewerker van de afdeling bijzonder onderzoek van de gemeente Den Haag een rechtmatigheidsonderzoek gestart. In dat kader heeft de medewerker onder meer kennisgenomen van een rapport van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van 1 september 2017 over de inspectie van de woning van appellant ten tijde van het aantreffen van de hennepplantage. Verder heeft de medewerker op 1 november 2017 met appellant een gesprek gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 november 2017.

1.3.

Bij besluit van 1 december 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juli 2018 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 augustus 2017 herzien (lees: gedeeltelijk ingetrokken) en de over de periode van 22 juni 2017 tot en met 31 augustus 2017 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.154,48 van appellant teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij in de periode van 22 juni 2017 tot en met 31 augustus 2017 in zijn woning een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd. Omdat appellant geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden, kan het recht op bijstand over die periode niet worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 23 februari 2018 heeft het college aan appellant een boete opgelegd van € 1.615,86. Bij besluit van 23 juli 2018 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaar buiten de termijn is ingediend en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond heeft verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de periode van 22 juni 2017 tot en met 31 augustus 2017 (te beoordelen periode) in de woning van appellant een in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig was en dat appellant daarvan geen mededeling heeft gedaan aan het college. Evenmin is in geschil dat appellant van de exploitatie van de hennepkwekerij geen administratie heeft bijgehouden.

4.2.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de ten tijde van de ontmanteling in zijn woning aanwezige hennepplanten onvolgroeid waren en nog niet klaar waren om geoogst te worden. Omdat geen oogst heeft plaatsgevonden, heeft appellant in de te beoordelen periode uit de exploitatie van de hennepkwekerij geen inkomsten genoten. Het college heeft dit niet zorgvuldig onderzocht. Bestreden besluit 1 is daarom in strijd met artikel 3:4, eerste lid
(lees: 3:2), van de Awb.

4.2.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Ook al zou aannemelijk zijn dat appellant geen inkomsten uit de exploitatie van de hennepkwekerij heeft genoten, dan nog is het zo dat appellant op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Bij de exploitatie van een hennepkwekerij moet er namelijk van worden uitgegaan dat, ook indien nog geen oogst heeft plaatsgevonden, in de kwekerij op geld waardeerbare werkzaamheden worden verricht, gericht op het in bedrijf stellen en houden van de hennepkwekerij, waarmee inkomsten zijn of zouden kunnen worden verworven. Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden is een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646). Dit betekent dat appellant ook deze werkzaamheden had moeten melden, wat hij niet gedaan heeft. Het college heeft daarom niet onzorgvuldig gehandeld door geen onderzoek te doen naar mogelijke inkomsten.

4.3.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de verhuurder van zijn woning enkele maanden voor de ontmanteling van de kwekerij nog een inspectie in zijn woning heeft gedaan en toen geen hennepkwekerij is aangetroffen.

4.3.2.

De Raad heeft appellant schriftelijk verzocht om met stukken te onderbouwen wanneer en door wie deze inspectie heeft plaatsgevonden, welke ruimtes zijn onderzocht en wat tijdens de inspectie is aangetroffen. De Raad heeft appellant verder verzocht om toe te lichten waarom deze inspectie van belang is voor het recht op bijstand in de te beoordelen periode. In reactie op deze vragen heeft appellant slechts te kennen gegeven dat hij bij zijn verhuurder navraag heeft gedaan, maar hij daarop geen antwoord heeft ontvangen. Nu niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode in zijn woning een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en appellant niet heeft onderbouwd dat een inspectie heeft plaatsgevonden en niet gemotiveerd waarom een inspectie van belang zou zijn voor het recht op bijstand over de te beoordelen periode, slaagt ook deze beroepsgrond niet wegens het ontbreken van feitelijke grondslag en belang.

4.4.1.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet opzettelijk heeft geschonden.

4.4.2.

Anders dan appellant heeft gesteld, is voor de intrekking en terugvordering van bijstand niet relevant of hij opzettelijk de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Volgens vaste rechtspraak (vergelijk de uitspraak van 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:605) is de in artikel 17 van de PW neergelegde inlichtingenverplichting een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Beoordeeld moet worden of de betrokkene inlichtingen had moeten geven en of hij dit heeft nagelaten. Dat is hier het geval. Appellant had redelijkerwijs kunnen begrijpen dat het exploiteren van een hennepkwekerij van invloed kon zijn op het recht op bijstand. Dit is anders het gaat om een ingevolge artikel 18a van de PW opgelegde boete. Daarbij is verwijtbaarheid wel een voorwaarde voor oplegging. Het college heeft aan appellant ook een boete opgelegd, maar die is in hoger beroep niet meer bestreden. Daarom slaagt deze beroepsgrond niet.

4.5.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, hoefde het college niet aan te tonen dat als al sprake zou zijn van een schending van de inlichtingenverplichting, dit tot benadeling van het college heeft geleid. Bij intrekking en terugvordering geldt immers als bewijsmaatstaf dat het college aannemelijk moet maken dat aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Schending van de inlichtingenverplichting vormt een grond voor intrekking en terugvordering van bijstand, als door die schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Uit wat in 4.4 is overwogen volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant heeft geen administratie bijgehouden van de exploitatie van de hennepkwekerij en geen verifieerbare gegevens verschaft over zijn werkzaamheden. Daarmee heeft het college ook aannemelijk gemaakt dat door de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet is vast te stellen. Meer hoefde het college niet aannemelijk te maken, laat staan aan te tonen. Het lag in die situatie juist op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij desondanks toch recht op (aanvullende) bijstand had. Dit alles is vaste rechtspraak (uitspraak van 12 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1120). Deze beroepsgrond slaagt dus evenmin.

4.6.1.

Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de terugvordering buitenproportioneel hoog is en de terugvordering daarom onterecht is. Het is het college ambtshalve bekend dat appellant in financiële problemen verkeert.

4.6.2.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het besluit tot terugvordering is gebaseerd op artikel 58, eerste lid, van de PW. Het is vaste rechtspraak (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van 3 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3367) dat voor toetsing van het besluit aan het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel geen ruimte bestaat, gelet op het verplichtende karakter van het besluit tot terugvordering op grond van 58, eerste lid, van de PW. Met aanvulling van rechtsgronden wordt overwogen dat het betoog van appellant ook niet kan leiden tot het oordeel dat het college met toepassing van artikel 58, negende lid, van de PW (gedeeltelijk) wegens dringende redenen had moeten afzien van de terugvordering. Het terugvorderingsbedrag is niet buitenproportioneel hoog en de niet nader geduide financiële problemen op zich vormen geen dringende reden als hier bedoeld.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2021.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) B. van Dijk