Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1171

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
19/2968 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenning van een militair invaliditeitspensioen (mip). Uit de beschikbare medische gegevens komt naar voren dat bij appellant al lange tijd sprake is van luchtwegproblematiek, maar dat een sluitende verklaring voor de problematiek niet kan worden gegeven. Verder staat voor de Raad vast dat bij appellant sprake is van een reëel en in ernst toenemend klachtenbeeld. De Raad acht het aannemelijk dat bij appellant sprake is van een niet te objectiveren aandoening die kan leiden tot ziekte of gebrek als bedoeld in het Besluit AO/IV. Dat voor de luchtwegklachten vooralsnog geen verklarende diagnose is vastgesteld maakt dit niet anders. Daarvan uitgaande heeft de staatssecretaris ten onrechte de aanvraag van appellant voor een mip afgewezen enkel op de grond dat voor de reële en toenemende luchtwegklachten van appellant geen eenduidige diagnose is vastgesteld. De staatssecretaris zal alsnog moeten beoordelen of sprake is van invaliditeit met dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2968 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 20 mei 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 mei 2019, 18/4480 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie (minister), is in verband met wijziging van taken voortgezet door de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over de staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de minister.

Namens appellant heeft mr. A.J. Vis hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L. Hoogeveen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R.C. Adang.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in militaire dienst geweest van 1995 tot en met 2001 en is in die periode viermaal op uitzending geweest naar Bosnië. Per 1 mei 2001 is appellant uit militaire dienst ontslagen. Aansluitend was hij tot 1 december 2008 aangesteld als reservist.

1.2.

Op 30 maart 2015 heeft de staatssecretaris van appellant een verzoek ontvangen om toekenning van een militair invaliditeitspensioen (mip) vanwege hoest- en benauwdheidsklachten die naar zijn mening zijn ontstaan tijdens zijn loopbaan bij defensie. Naar aanleiding van dit verzoek heeft op 29 mei 2015 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek door medisch adviseur H.W. Kharagjitsing plaatsgevonden. Van de resultaten van het onderzoek waarbij ook de informatie van de appellant behandelend longarts
J.C.C.M. in ’t Veen is betrokken, is op 11 maart 2016 rapport uitgebracht.

1.3.

Bij besluit van 23 maart 2016 heeft de staatssecretaris de aanvraag van appellant om toekenning van een mip afgewezen omdat bij het geneeskundig onderzoek geen ziekte of gebrek kon worden vastgesteld. Een nadere beschouwing omtrent dienstverband is daarom achterwege gebleven.

1.4.

Bij brief van 11 mei 2018 heeft (bezwaar)verzekeringsarts R.G. Goedhard geconcludeerd dat appellants bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2016 geen aanleiding geeft om het ingenomen standpunt te herzien. Bij appellant is sprake van klachten (al jaren lang) waarbij er geen (objectief vaststelbare, medische en reproduceerbare) bevinding is gedaan die daarvoor verklarend zou kunnen zijn geweest. Daarmee is geen sprake van consistentie en kan het niet leiden tot vaststelling van ziekte of gebrek en daarmee ook niet of sprake is van (arbeids)ongeschiktheid met dienstverband, aldus Goedhard.

1.5.

Bij besluit van 15 mei 2018 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De conclusie van (bezwaar)verzekeringsarts Goedhard en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden door de staatssecretaris volledig onderschreven. De beslissing van 29 november 2018 waarbij appellant een tegemoetkoming op grond van de Coulanceregeling chroom VI wegens chronische longaandoeningen toegekend heeft gekregen, is hierbij volgens de staatssecretaris van geen enkele relevantie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot het volgende oordeel.

3.1.

Ingevolge artikel 2, derde lid, aanhef en onder c, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV) wordt onder invaliditeit met dienstverband verstaan: een invaliditeit van tenminste 10% ten gevolge van ziekte of gebreken, welke zijn ontstaan, tot uiting zijn gekomen of verergerd mede door inwerking van bijzondere, zeer nadelige invloeden waaraan de militair in verband met de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden is blootgesteld geweest.

3.2.

Vaststaat dat bij appellant sprake is van luchtwegproblematiek. De staatssecretaris stelt zich echter op het standpunt dat aan de luchtwegproblematiek geen onderliggende ziekte of gebrek kan worden gediagnosticeerd zodat niet wordt voldaan aan het vereiste als bedoeld in artikel 2, van het Besluit AO/IV en appellant al om die reden niet in aanmerking komt voor een mip.

3.3.

Appellant is sinds 1997 bekend met hoestklachten en kortademigheid. In 1998, 1999 en 2000 is appellant meermalen onderzocht door KNO- en longartsen van het Centraal Militair Hospitaal (CMH) in Utrecht zonder dat een duidelijke diagnose kon worden gesteld. Op grond van een onderzoek in september 2016 door longarts L.M. van den Toorn van het Erasmus MC kon evenmin een diagnose worden gesteld omdat onder meer de meting van de longfunctie niet correct kon worden uitgevoerd. De CT-scan liet wel afwijkingen in de longen zien. Een aanvullend onderzoek in december 2016 door longarts J.R. Miedema van het Erasmus MC toonde aan dat er sprake is van een forse inspanningsintolerantie, hoest en de eerder gevonden restrictie. Ook nu kon het longfunctieonderzoek niet goed worden uitgevoerd. De thorax CT-scan liet geringe bronchuswandverdikking zien met enige airtrapping. Een zogenoemde fietstest moest vervroegd worden afgebroken. Uit pathologisch onderzoek van de biopten blijkt verder dat er sprake is van een gering emfyseem. De longarts in ’t Veen die appellant sinds 2016 behandelt, vermeldt dat de longcapaciteit van appellant is afgenomen ten opzichte van de longfunctie ten tijde van het onderzoek in het CMH en dat sprake is van een toename van de restrictie mogelijk als gevolg van chroom VI. Longarts
In ’t Veen stelt dat appellant ernstige luchtwegklachten heeft maar dat hij als oorzaak geen goede classificerende diagnose kan benoemen.

3.4.

Uit de beschikbare medische gegevens komt naar voren dat bij appellant al lange tijd sprake is van luchtwegproblematiek, maar dat een sluitende verklaring voor de problematiek niet kan worden gegeven. Verder staat voor de Raad vast dat bij appellant sprake is van een reëel en in ernst toenemend klachtenbeeld. Uit de verschillende onderzoeken komt een beeld naar voren van een verminderde longfunctie en van beperkingen als gevolg van de verminderde longfunctie die in belangrijke mate zijn toegenomen. De Raad wijst er op dat appellant in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ook mede om die reden volledig arbeidsongeschikt is verklaard. Anders dan de staatssecretaris kan naar het oordeel van de Raad bovendien niet zonder meer voorbij worden gegaan aan het besluit van 29 november 2018 waarbij aan appellant een tegemoetkoming is toegekend op grond van de Coulanceregeling chroom VI, vanwege een chronische longaandoening. Onder deze omstandigheden acht de Raad het dan ook aannemelijk dat bij appellant sprake is van een niet te objectiveren aandoening die kan leiden tot ziekte of gebrek als bedoeld in het Besluit AO/IV. Dat voor de luchtwegklachten vooralsnog geen verklarende diagnose is vastgesteld maakt dit niet anders. Daarvan uitgaande heeft de staatssecretaris ten onrechte de aanvraag van appellant voor een mip afgewezen enkel op de grond dat voor de reële en toenemende luchtwegklachten van appellant geen eenduidige diagnose is vastgesteld. De staatssecretaris zal alsnog moeten beoordelen of sprake is van invaliditeit met dienstverband.

3.5.

Uit 3.4 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad – met gegrondverklaring van het beroep – het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet geen mogelijkheid tot definitieve geschilbeslechting binnen zijn bereik, omdat alvorens opnieuw op het bezwaar kan worden beslist nog nader (medisch) onderzoek moet plaatsvinden. De Raad zal de staatssecretaris opdragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door de staatssecretaris te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

4. Aanleiding bestaat de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.068,- in beroep en € 1.068,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.136,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 mei 2018;

  • -

    draagt de staatssecretaris op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.136,-;

  • -

    bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.J. Otten en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2021.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) D. Al-Zubaidi