Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1168

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
19/1745 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat appellant geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Het Uwv heeft als eerste dag van arbeidsongeschiktheid 1 juli 2016 aangehouden. Appellant liep toen vast in zijn studie en maakte een psychose door. In geschil is of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. De Raad stelt vast dat de aanname van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat verbetering van de belastbaarheid mogelijk is, slechts is gebaseerd op algemene, niet op de persoon van appellant betrekking hebbende informatie. Daar tegenover staat de in stellige bewoordingen geformuleerde overtuiging van de behandelaars van appellant, dat bij appellant sprake is van somberheid in de grondstemming en een chronisch gebrek aan draagkracht die niet behandelbaar zijn. De vader van appellant heeft ter zitting van de Raad op indringende wijze toegelicht wat dit in de dagelijkse praktijk betekent. De Raad ziet geen reden om de gemotiveerde conclusies van de behandelaars, die immers de veronderstelde toekomstige verbetering tot stand hadden moeten brengen, niet tot uitgangspunt te nemen. Gelet op wat is overwogen, slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep van appellant is gegrond, het bestreden besluit zal eveneens worden vernietigd. Gelet op de aanwezige informatie van de behandelaars van appellant concludeert de Raad dat het ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in het geval van appellant duurzaam is te achten. Daarmee voldoet appellant aan de voorwaarden voor het recht op een Wajong-uitkering. Er bestaat dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien door appellant met ingang van 7 augustus 2017 een Wajong-uitkering toe te kennen. Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1745 WAJONG

Datum uitspraak: 12 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 maart 2019, 18/897 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een aanvullend stuk ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schoonbrood en vergezeld door zijn vader. Het Uwv heeft zich, via videobellen, laten vertegenwoordigen door mr. M.F.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedatum] 1990, is in 2016 vanwege medische klachten gestopt

met zijn studie geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Met een door het Uwv op

7 augustus 2017 ontvangen formulier heeft hij een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij heeft appellant vermeld dat hij te maken heeft met de stoornis van Asperger en een depressieve stoornis en dat hij een kortdurende psychotische stoornis heeft gehad. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 4 oktober 2017 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellant, vanwege een ernstige psychische stoornis, nu geen arbeidsvermogen heeft, maar deze situatie niet duurzaam is.

1.2.

Bij besluit van 23 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen

het besluit van 4 oktober 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het

bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende onderbouwd dat voor appellant nog behandeling mogelijk is, zoals medicamenteuze behandeling tegen depressies en cognitieve gedragstherapie. Tevens is de verwachting uitgesproken dat de mogelijkheden van appellant zullen toenemen door natuurlijk verloop. Dat sociaal-psychiatrisch verpleegkundige [naam spv] op 15 januari 2019 heeft gerapporteerd dat cognitieve gedragstherapie het chronische gebrek aan draagkracht van appellant niet zal doen afnemen, acht de rechtbank niet afdoende, omdat [spv] in de primaire fase juist de suggestie heeft gedaan dat appellant baat zou kunnen hebben bij deze therapie. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om een medisch deskundige te benoemen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de stukken van de behandelend sector blijkt dat zijn gebrek aan arbeidsvermogen duurzaam is. Hij heeft ter onderbouwing van dit standpunt een brief van [spv] en de behandelend psychiater P. Koevoets van 2 juli 2019 ingediend, waaruit blijkt dat de psychiater de conclusies van [spv] in zijn brief van 15 januari 2019 volledig onderschrijft en bevestigt.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Het Uwv heeft als eerste dag van arbeidsongeschiktheid 1 juli 2016 aangehouden. Appellant liep toen vast in zijn studie en maakte een psychose door. In geschil is of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.

4.2.1.

Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’ (Compendium). In het beoordelingskader is het volgende stappenplan opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen:

“Stap 1 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.

Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 2 - voor de verzekeringsarts

De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:

  • -

    er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;

  • -

    de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.

Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.

Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen

De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:

  • -

    het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;

  • -

    het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;

  • -

    het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.

Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.”

4.2.2.

Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 20 maart 2018 ten aanzien van de depressie verwezen naar het verzekeringsgeneeskundig protocol. Daaruit blijkt dat de behandeling van depressie, bestaande uit antidepressieve medicatie en psychotherapie, in veel gevallen effectief is. Ten aanzien van het syndroom van Asperger heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat een goede verbetering in het algemeen functioneren kan worden bereikt door psycho-educatie, cognitieve gedragstherapie en sociale vaardigheidstrainingen.

4.4.

In de brief van 2 juli 2019 hebben [spv] en Koevoets (behandelaars) vermeld dat cognitieve gedragstherapie in de opstartfase van de behandeling als optie werd gezien, maar dat gedurende de behandeling een verandering van inzicht en mening is opgetreden. Appellant slikt een antidepressivum dat de zwaardere kanten van de depressie afhaalt. De grondstemming van appellant is over het algemeen nog altijd somber te noemen, iets waar appellant al jarenlang mee bekend is. Deze somberheid in de grondstemming is bij hem niet behandelbaar met medicatie of psychotherapie. De conclusie dat cognitieve gedragstherapie of interpersoonlijke psychotherapie succesvol kunnen zijn als behandeling tegen depressie gaat in het geval van appellant niet op. Door zijn autisme spectrum stoornis (we spreken heden ten dage niet meer van Asperger, aldus de behandelaars) (ASS) zijn bepaalde levensbeschouwingen en -overtuigingen veel dieper geworteld en persisterend dan bij mensen zonder deze stoornis. Ten aanzien van ASS kunnen volgens de behandelaars psycho-educatie, cognitieve gedragstherapie en/of sociale vaardigheidstraining in bepaalde gevallen wellicht leiden tot acceptatie van de situatie en daardoor een relatieve vermindering van enkele kenmerken passend bij de ASS. Bij appellant schort het echter niet aan sociale vaardigheden of begrip over de situatie. Er is sprake van een chronisch gebrek aan draagkracht door de kenmerken die bij ASS horen. Dit gebrek aan draagkracht zal niet veranderen door genoemde therapieën. Het is een kenmerk van appellant waar hij mee zal moeten leren omgaan en zijn gedrag blijvend aan zal moeten aanpassen. Alleen op deze manier kan er stabiliteit voor een langere periode optreden.

4.5.

Met een rapport van 8 oktober 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de brief van de behandelaars van 2 juli 2019. Hij heeft opgemerkt dat onduidelijk blijft waarom appellant geen baat zou kunnen hebben bij psychotherapie. Dat sprake is van ASS heeft hij in zijn eerdere rapporten onderkend. Vandaar dat alleen een therapie voor zowel depressie als ASS een verbetering van de belastbaarheid kan geven. Uit de medische literatuur blijkt dat iemand met ASS door middel van therapieën beter kan participeren in de maatschappij. Acceptatie van het ziektebeeld en ongewenste gevoelens ombuigen naar gewenste gevoelens zal door middel van genoemde therapieën plaats moeten vinden. Dit zal volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook een gunstige uitwerking hebben op de depressieve gevoelens. Het blijft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep onduidelijk waarom het aanvankelijke standpunt van [spv] dat cognitieve gedragstherapie voor appellant gunstig kan uitpakken, is verworpen.

4.6.

De Raad stelt vast dat de aanname van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat verbetering van de belastbaarheid mogelijk is, slechts is gebaseerd op algemene, niet op de persoon van appellant betrekking hebbende informatie. Daar tegenover staat de in stellige bewoordingen geformuleerde overtuiging van de behandelaars van appellant, dat bij appellant sprake is van somberheid in de grondstemming en een chronisch gebrek aan draagkracht die niet behandelbaar zijn. De vader van appellant heeft ter zitting van de Raad op indringende wijze toegelicht wat dit in de dagelijkse praktijk betekent. De Raad ziet geen reden om de gemotiveerde conclusies van de behandelaars, die immers de veronderstelde toekomstige verbetering tot stand hadden moeten brengen, niet tot uitgangspunt te nemen. Dat sociaalpsychiatrisch verpleegkundige [spv] aanvankelijk meende dat cognitieve gedragstherapie ook in het geval van appellant effectief zou kunnen zijn en hiervan dus later is teruggekomen, maakt niet dat anders moet worden geoordeeld. Zoals de behandelaars hebben uiteengezet, betrof dit een gedachte in de beginfase van de behandeling en kan er gedurende de behandeling en het beter leren kennen van de patiënt, een verandering van inzicht optreden.

4.7.

Gelet op wat in overweging 4.4 tot en met 4.6 is overwogen, slaagt het hoger beroep.

De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep van appellant is gegrond, het bestreden besluit zal eveneens worden vernietigd. Gelet op de aanwezige informatie van de behandelaars van appellant concludeert de Raad dat het ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in het geval van appellant duurzaam is te achten. Daarmee voldoet appellant aan de voorwaarden voor het recht op een Wajong-uitkering. Er bestaat dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien door appellant met ingang van 7 augustus 2017 een Wajong-uitkering toe te kennen.

5. Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor zover aanspraak bestaat op wettelijke rente moet deze worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

6. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 534,- in bezwaar, € 1.068,- in beroep en € 1.068,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.670,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 23 maart 2018 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept het besluit van 4 oktober 2017, kent appellant vanaf 7 augustus 2017 een Wajonguitkering toe en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 23 maart 2018;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente zoals onder 5 vermeld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in bezwaar, in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 2.670;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.

v