Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1163

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
19/3130 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WIA-uitkering. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3130 WIA

Datum uitspraak: 12 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

28 juni 2019, 18/2493 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als keukenmonteur. Op 15 september 2011 heeft hij zich voor dit werk ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Bij besluit van 24 juli 2013 heeft het Uwv appellant per 12 september 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv bij besluit van 16 juli 2016 de WGA-uitkering van appellant met ingang van 12 september 2016 omgezet in een loonaanvullende WGA-uitkering.

1.2.

Op 20 oktober 2017 heeft appellant melding gemaakt van een verslechterde gezondheid en daarbij het Uwv verzocht om hem in aanmerking te brengen voor een IVA-uitkering. Naar aanleiding van deze melding heeft appellant op 20 november 2017 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 november 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens drie functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 13,57%. Bij besluit van

15 december 2017 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant per 16 februari 2018 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van zijn WIA-uitkering. In het kader van de heroverweging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen zoals die door de primaire arts zijn vastgesteld onderschreven en op 23 april 2018 een nieuwe FML vastgesteld die geldt vanaf 1 maart 2018. Daarbij zijn de eerder voor appellant vastgestelde beperkingen onveranderd gebleven. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft nader onderzoek verricht. Deze heeft de oorspronkelijk geselecteerde functies opnieuw bezien en geconcludeerd dat deze ook op 1 maart 2018 actueel waren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens het maatmanloon opnieuw geïndexeerd en de mate van arbeidsongeschiktheid, op grond van de oorspronkelijk geselecteerde functies, nader vastgesteld op 14,37%. Bij besluit van 19 juni 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard, in die zin dat de WIA-uitkering van appellant per 1 maart 2018 wordt beëindigd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellant, zoals die zijn opgenomen in de FML van 23 april 2018, geldig vanaf 1 maart 2018, niet juist zijn vastgesteld. Met de medisch rapporten van de verzekeringsartsen van 21 november 2017, 23 april 2018, 15 juni 2018 en het aanvullend rapport van 30 november 2018, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd dat de claim van appellant op ernstigere gezondheidsproblematiek en klachten dan wel beperkingen niet slaagt. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in zijn oordeel over de hartklachten van appellant. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep is ingegaan op de door appellant in bezwaar overgelegde verklaringen van zijn cardioloog R.A.J. Schurer van 12 februari 2018, waarin is uitgegaan van een indeling in NYHA-klasse II en van 12 juni 2018, waarin is uitgegaan van de NYHA-klasse III. In zijn rapport van 15 juni 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat het belastbaarheidsoordeel conform het protocol hartfalen in volle omvang wordt gedragen en dat de verklaring van de cardioloog van 12 juni 2018, die feitelijk in het geheel niets nieuws aandraagt, niet tot een ander oordeel leidt over de cardiale belastbaarheid en/of de inschaling van de NYHA-klasse. De rechtbank volgt het Uwv in zijn standpunt dat de cardioloog met zijn nadere verklaring van 12 juni 2018 appellant goedgezind is geweest, maar dat er feitelijk geen aanleiding is om terug te komen van de eerdere medische rapporten. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om meer beperkingen aan te nemen. Dit geldt volgens de rechtbank ook voor de door appellant gestelde urenbeperking. In dit verband heeft de rechtbank nog vastgesteld dat cardioloog Schurer in zijn verklaring van 12 juni 2018 nog steeds uitgaat van een stabiele angina pectoris (en dus niet, zoals appellant stelt, een instabiele) alsmede van een LVEF van 60%. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd die tot andere conclusies moeten leiden. De rechtbank heeft dan ook geen reden gezien om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht en op goede gronden besloten om de WIA-uitkering van appellant per 1 maart 2018 te beëindigen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat zijn beperkingen ten gevolge van hartfalen zijn onderschat. Appellant benadrukt dat de nadere indeling NYHAklasse van II naar III zeer relevant is, omdat de klasse-indeling iets zegt over de mate van de beperkingen. Daarnaast is appellant van mening dat, gelet op de aard van de klachten ‑ of die nu ingeschaald kunnen worden in NYHA-klasse II of III - een urenbeperking uit preventief oogpunt aangewezen is. Bij de toekenning van de WIA-uitkering is ook uitgegaan van een urenbeperking van maximaal tien uur per week. Weliswaar was deze ook gerelateerd aan de dagbehandeling op dat moment, maar de urenbeperking heeft volgens appellant wel vier jaar geduurd. In de tussentijd heeft hij tweemaal een hartinfarct doorstaan (in 2015 en 2016), wat volgens hem het belang van een preventieve urenbeperking onderstreept. Daarnaast is er sprake van een angina pectoris die hem al bij beperkte inspanning klachten geeft. Appellant wijst er op dat in de beoordeling van de primaire verzekeringsarts het volgende staat vermeld; “belanghebbende blijft een sterk beperkt inspanningsvermogen houden met een toename van de klachten bij inspanning en stress”. Gelet hierop is het voor appellant niet te begrijpen dat in het geheel geen urenbeperking meer is aangenomen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 1 maart 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35%.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is goeddeels een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht en geeft geen reden om van het oordeel van de rechtbank af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.

4.4.

Wat betreft de tussen partijen bestaande discussie of de hartklachten van appellant passen in NYHA-klasse II of III wordt het volgende overwogen. Uit de brief van de cardioloog van 12 februari 2018 blijkt dat appellant op de poli is gezien wegens hart- en vaatziekte in verband met een stabiel angina pectoris en dat appellant is ingedeeld in de NYHA-klasse II. Volgens de cardioloog heeft appellant een fysiek vermogen van 61% ten opzichte van een gezond persoon van zijn leeftijd en fysieke bouw. In een latere brief van 12 juni 2018, die overigens van na de datum in geding is, stelt de cardioloog dat appellant is ingedeeld in NYHA-klasse III. Met het Uwv wordt overwogen dat de nadere indeling in de klasse III niet door de cardioloog is onderbouwd, enkel dat in samenspraak met appellant (en op diens verzoek) tot een correctie is gekomen. Bovendien gaat de cardioloog nog steeds uit van een belastbaarheid van 61%, conform het eerdere onderzoek in februari 2018. In voornoemde informatie is dan ook onvoldoende steun te vinden voor het standpunt van appellant dat hij meer beperkt moet worden geacht, enkel omdat hij thans in de NYHA-klasse III is ingedeeld.

4.5.

Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn standpunt dat een urenbeperking uit preventief oogpunt is aangewezen. Wat betreft de eerder in 2013 vastgestelde urenbeperking, tot maximaal tien uur per week, wordt overwogen dat deze was gebaseerd op een verminderde beschikbaarheid wegens een toen lopend revalidatietraject (een dagbehandeling van drie dagen per week), die per de datum in geding al lang niet meer aan de orde was. Blijkens het rapport van 21 november 2017 is de primaire verzekeringsarts bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellant uitgegaan van de diagnose angina pectoris en overige ischemische hartziekte. In zijn rapport noteert de verzekeringsarts dat meermalen melding wordt gemaakt van angstklachten bij appellant, waardoor een beperkte stressbestendigheid volgens hem aannemelijk is. Daarbij vermeldt de verzekeringsarts dat appellant de afgelopen jaren tweemaal een hartinfarct heeft doorgemaakt en dat appellant een sterk beperkt inspanningsvermogen blijft houden met een toename van klachten bij inspanning en stress. De verzekeringsarts acht appellant geschikt voor fysiek licht werk met een matige vorm van stress en tempodruk. In de FML zijn vervolgens diverse beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Het Uwv wordt gevolgd in zijn standpunt, zoals vermeld in het verweer in hoger beroep en ook ter zitting is benadrukt, dat indien rekening wordt gehouden met de reeds vastgestelde forse beperkingen in de rubrieken 1 tot en met van 5 van de FML, er geen reden is voor een verdergaande urenbeperking. Ook in de overige medische gegevens zijn geen aanknopingspunten te vinden om een verdergaande urenbeperking aan te nemen.

4.6.

Nu appellant in hoger beroep geen nadere medische gegevens heeft overgelegd die tot een ander oordeel kunnen leiden en ook overigens niet aannemelijk is geworden dat zijn klachten op de datum in geding, te weten 1 maart 2018, dusdanig ernstig waren dat deze tot verdergaande arbeidsbeperkingen hadden moeten leiden, is er geen aanleiding om het standpunt van de artsen van het Uwv in twijfel te trekken. In de voorhanden zijnde medische informatie van de cardioloog is geen bevestiging te vinden voor het standpunt van appellant dat hij op de datum in geding volledig arbeidsongeschikt was en dat de artsen van het Uwv zijn medische toestand onjuist hebben ingeschat. In dit verband wordt nog opgemerkt, zoals ter zitting van de Raad is besproken, dat het appellant vrij staat om zich in verband met de thans opgetreden verslechtering van zijn gezondheidstoestand wegens COPD en chronische bronchitis, opnieuw tot het Uwv te wenden met het verzoek om zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen.

4.7.

Uitgaande van de juistheid van de FML kan de rechtbank ook gevolgd worden in haar oordeel dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zijn de geselecteerde functies fysiek licht, eenvoudig en overzichtelijk van aard en kennen deze geen beduidende stress en tempodruk.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.7 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet

slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.R. Kokhuis