Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1159

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
18/3567 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van de besluiten van 18 juli 2000 en 3 februari 2009, terecht afgewezen. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven om terug te komen van de beslissingen van 18 juli 2000 en 3 februari 2009. Het bestreden besluit is evenmin evident onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3567 WAJONG

Datum uitspraak: 12 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 mei 2018, 17/2484 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Maachi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2021. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door

mr. E. Moerman-Bootsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [geboortedatum] 1978, heeft op 21 februari 2000 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Het Uwv heeft deze aanvraag bij besluit van 18 juli 2000 afgewezen, omdat appellant op en na 10 augustus 1996 minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant werd na verzekeringsgeneeskundig onderzoek weliswaar beperkt geacht in verband met maligne obesitas, maar kon met voor hem geschikt bevonden functies nog het minimumloon verdienen.

1.2.

Appellant heeft op 27 januari 2009 opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft deze aanvraag bij besluit van 3 februari 2009 afgewezen, omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had vermeld die ertoe leidden dat het besluit van 18 juli 2000 onjuist zou zijn. Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 3 februari 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Appellant heeft op 7 september 2016 een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen

ingediend. Deze aanvraag is door het Uwv opgevat als een verzoek om terug te komen van de besluiten van 18 juli 2000 en 3 februari 2009. Na dossierstudie en een telefonisch gesprek met appellant heeft een verzekeringsarts vastgesteld dat er op grond van de huidige informatie en het ontbreken van nieuwe medische feiten en omstandigheden geen aanleiding bestaat te twijfelen aan het in 2000 ingenomen standpunt. Het Uwv heeft het verzoek bij besluit van 17 oktober 2016 afgewezen, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts.

1.4.

Het Uwv heeft bij besluit van 4 mei 2017 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 oktober 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat er voor het verleden noch voor de toekomst aanleiding bestaat om terug te komen van het besluit van 18 juli 2000.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aanvraag van appellant betrekking heeft op het verleden, maar dat ook voor de toekomst is verzocht om terug te komen van het besluit van 18 juli 2000. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat de in bezwaar door appellant verstrekte informatie geen betrekking heeft op de periode waarop het besluit van 18 juli 2000 ziet. Het Uwv heeft deze informatie terecht niet aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er bestond ook geen aanleiding om te onderzoeken of het besluit van 18 juli 2000 onjuist was. In wat appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep (kort gezegd) aangevoerd dat de inmiddels bij appellant vastgestelde diagnose artrose een nieuw feit is, terwijl zeer wel aannemelijk is dat de artrose al op achttienjarige leeftijd en de vijf jaar daarna bij appellant aanwezig was. Daarnaast waren er in die tijd al psychische klachten wat blijkt uit de in beroep ingediende informatie van de huisarts. Volgens appellant had de rechtbank een deskundige moeten inschakelen. Appellant heeft de Raad verzocht om dat alsnog te doen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellant van 7 september 2016 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluiten van 18 juli 2000 en 3 februari 2009. Het Uwv heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

4.2.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven om terug te komen van de beslissingen van 18 juli 2000 en 3 februari 2009. Uit de medische informatie blijkt dat bij appellant pas vanaf 2014 sprake is van klachten ten gevolge van artrose. Appellant heeft zijn standpunt dat er op achttienjarige leeftijd (11 augustus 1996) of in de vijf jaren daarna al sprake was van beperkingen ten gevolge van artrose niet onderbouwd met medische stukken waaruit dit blijkt. Met betrekking tot de psychische klachten is in het huisartsenjournaal van 30 juli 1996 vermeld dat appellant psychisch lijdt onder zijn overgewicht en dat een verwijzing naar een psychiater wordt overwogen. Deze enkele vermelding door de huisarts is onvoldoende om aan te nemen dat het Uwv bij de beoordeling in 2000 de psychische belastbaarheid van appellant op achttienjarige leeftijd heeft onderschat. Gelet hierop heeft het Uwv het verzoek om voor het verleden terug te komen van de beoordeling uit 2000 wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden kunnen afwijzen. In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Nu uit de ingebrachte medische informatie niet blijkt van de onjuistheid van de besluiten van 18 juli 2000 en 3 februari 2009, is er evenmin aanleiding om vanaf de datum van het verzoek (7 september 2016) terug te komen van deze besluiten.

4.4.

Nu er geen twijfel bestaat over de conclusies van het Uwv wordt het verzoek van appellant om een onafhankelijke deskundige in te schakelen afgewezen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van

G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) G.S.M. van Duinkerken