Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1153

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
21/1232 WIA-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek om voorlopige voorziening. Spoedeisend belang. Is er sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid? De voorzieningenrechter concludeert dat nadere verzekeringsgeneeskundige beoordeling van de situatie van verzoeker alsnog en per direct noodzakelijk is. Gelet op het rapport van Chin-Kon-Sung is niet uitgesloten dat sprake is van een toename van beperkingen. Door het zeer korte tijdsverloop kan ook niet worden uitgesloten dat deze herbeoordeling van invloed is op het nu bij de Raad voorliggende geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 1232 WIA-VV

Datum uitspraak: 17 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te Suriname (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. S. Maachi, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2020, 19/3892 (aangevallen uitspraak). Tevens heeft mr. Maachi namens verzoeker op 12 april 2021 een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het Uwv heeft schriftelijk gereageerd op dit verzoek.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 10 mei 2021. Namens verzoeker is mr. Maachi verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 1 juni 2012 heeft het Uwv verzoeker met ingang van 5 juli 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Begin 2017 is verzoeker naar Suriname verhuisd. In het kader van een herbeoordeling heeft verzoeker op 12 februari 2018 in Suriname contractarts Uwv, L.P. ChinKon-Sung, bezocht. Hierna is bij besluit van 15 oktober 2018 de WGA-uitkering van verzoeker met ingang van 22 december 2018 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is op 17 januari 2019 ongegrond verklaard.

1.2.

Verzoeker heeft op 7 februari 2019 bij het Uwv gemeld dat hij met ingang van 4 februari 2019 toegenomen arbeidsongeschikt is. Hij heeft op die datum de spoedeisende hulp bezocht. Bij besluit van 15 maart 2019 heeft het Uwv geoordeeld dat de gezondheidssituatie van verzoeker per 4 februari 2019 niet is gewijzigd. Aan dit besluit is een rapport van een verzekeringsarts van 15 maart 2019 ten grondslag gelegd.

1.3.

Het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 15 maart 2019 heeft het Uwv bij besluit van 11 juli 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van 25 juni 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Verzoeker heeft in hoger beroep aangevoerd meer beperkt te zijn dan door het Uwv wordt aangenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verzoeker verwezen naar verschillende medische stukken.

3.2.

Verzoeker heeft tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij in een medische en financiële noodsituatie is komen te verkeren. Verzoeker en zijn partner beschikken over onvoldoende middelen om de vaste lasten, waaronder de kosten voor medische zorg, te voldoen en verzoeker dreigt uit zijn woning te worden gezet. Inmiddels kan verzoeker ook geen geld meer lenen bij derden.

3.3.

Het Uwv heeft verzocht het verzoek af te wijzen. Daartoe heeft het Uwv aangevoerd dat het besluit van 11 juli 2019 juist is. Hierbij heeft het Uwv verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 april 2021. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de medische stukken geen nieuwe inzichten opleveren en dat hieruit niet blijkt dat er sprake is van objectieve beperkingen als gevolg van ziekte, anders dan een chronisch pijnsyndroom.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Bezien moet worden of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen al dan niet een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Daarbij komt ook in beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die procedure.

4.3.1.

Uit wat door verzoeker naar voren is gebracht, is aannemelijk geworden dat hij er spoedeisend belang bij heeft dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. Daarmee komt de vraag aan de orde of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle kunnen geschieden. In het kader van dit verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

4.3.2.

In zijn rapport van 25 juni 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de opname van verzoeker in het ziekenhuis van 5 april 2019 tot 12 april 2019 en de wijziging van zijn medicatie, reden geven onderzoek te doen naar de situatie per 5 april 2019. Omdat het gaat om een latere datum dan 4 februari 2019, is dit verder ter beoordeling aan de primaire afdeling, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In een in beroep opgesteld rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 november 2019 is herhaald dat de klachten en beperkingen in april 2019 mogelijk zijn toegenomen en dat daar nader onderzoek naar dient te worden verricht.

4.3.3.

Hoewel zich onder de gedingstukken een rapport bevindt van contractarts ChinKonSung van 5 december 2019, heeft, zo is ter zitting van de voorzieningenrechter gebleken, naar aanleiding hiervan geen vervolgactie van de kant van het Uwv plaatsgevonden. Beoordeling door de primaire afdeling van de situatie vanaf 5 april 2019 of later is uitgebleven. Chin-Kon-Sung vermeldt in het genoemde rapport evenwel dat een cliënt wordt gezien die erg beperkt is geworden in vergelijking tot het laatste spreekuur in februari 2018 en dat een herbeoordeling over zes maanden is te adviseren om na te gaan of de diagnose scherper is gesteld en eventuele behandeling is ingezet. Gelet op de inhoud van dit rapport was er te meer aanleiding voor de voorgenomen verdere actie.

4.3.4.

De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat nadere verzekeringsgeneeskundige beoordeling van de situatie van verzoeker op en na 5 april 2019 alsnog en per direct noodzakelijk is. Gelet op het rapport van Chin-Kon-Sung is niet uitgesloten dat sprake is van een toename van beperkingen. Door het zeer korte tijdsverloop tussen 4 februari 2019 en 5 april 2019 kan ook niet worden uitgesloten dat deze herbeoordeling van invloed is op het nu bij de Raad voorliggende geschil. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er daarom sprake van twijfel of de aangevallen uitspraak in hoger beroep in stand zal kunnen blijven. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding het Uwv op te dragen het in het vooruitzicht gestelde herbeoordelingstraject af te ronden. Daarbij wordt nog opgemerkt dat niet de (precieze) diagnose, maar de medisch objectiveerbare beperkingen van belang zijn voor een juiste beoordeling van de belastbaarheid.

4.4.

Gelet op overweging 4.3.1 tot en met 4.3.4 zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen, inhoudende dat het Uwv wordt opgedragen het herbeoordelingstraject binnen tien weken af te ronden. Gelet op de onzekere uitkomst van de nadere beoordeling ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond om het Uwv op te dragen een voorschot aan verzoeker te verstrekken.

5. De toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening vormt aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.068,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

  • -

    draagt het Uwv op om binnen tien weken het onder 4.3.2 tot en met 4.3.4 bedoelde herbeoordelingstraject af te ronden;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.068,- ;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan verzoeker het in de voorlopige voorzieningsprocedure betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2021.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) V.M. Candelaria