Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1144

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
19/888 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Begroting immateriële schadevergoeding op grond van psychisch letsel. Hogere vergoeding dan de rechtbank had vastgesteld.

Dat sprake is van geestelijk letsel waardoor psychische schade is ontstaan is niet in geschil. De ernst hiervan volgt uit de medische stukken. Evenmin is in geschil dat de handelwijze van het dagelijks bestuur zeer onzorgvuldig is geweest. Er is een zeer langdurig, rommelig, tegenstrijdig en herhaald foutief besluitvormingstraject geweest. Het dagelijks bestuur is er pas na drie jaar in geslaagd een juiste berekening te maken van de hoogte van de aan appellant toekomende woonkostentoeslag. Daarbij zijn mails van appellante gedurende dit traject niet, niet tijdig, onvolledig of zelfs onjuist beantwoord. Rekening houdend met al deze omstandigheden acht de Raad, anders dan de rechtbank die een vergoeding van € 500,- had vastgesteld, een vergoeding van € 750,- billijk. Voor een hoger bedrag bestaat geen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/360
NJB 2021/1655
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 888 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 4 mei 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 januari 2019, 18/158 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Ferm Werk (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2021. Appellante is niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is alleenstaande en ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Appellante woont in een huurwoning met een huur boven de huurtoeslaggrens.

1.2.

Op 16 oktober 2014 heeft appellante bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag aangevraagd. Bij besluit van 24 november 2014 heeft het dagelijks bestuur appellante over de periode van 16 oktober 2014 tot en met 15 oktober 2015 een woonkostentoeslag toegekend tot een bedrag van € 178,10 per maand. In dit besluit heeft het dagelijks bestuur vermeld dat het, indien gewenst, appellante een berekeningsoverzicht kan sturen van de hoogte van de woonkostentoeslag. Op 31 december 2014 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Appellante heeft hierbij tevens verzocht om toezending van een berekeningsoverzicht.

1.3.

Aangezien geen reactie volgde van het dagelijks bestuur op het ingediende bezwaar heeft appellante in de periode van 23 maart 2015 tot en met 7 juli 2015 diverse mails gestuurd naar [organisatie] , aanvankelijk met het verzoek een beslissing te nemen op het bezwaar, gevolgd door een ingebrekestelling wegens het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar en verzoeken om toekenning van een dwangsom bij het uitblijven van een tijdig besluit. Op 6 augustus 2015 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het niet beslissen op de ingebrekestelling.

1.4.

Op 7 augustus 2015 heeft appellante een mail ontvangen van de toenmalig financieel directeur van [organisatie] (financieel directeur) met de volgende inhoud:

“Vanochtend kreeg ik een mail van u doorgestuurd waarin u bezwaar aantekent. Daarop heb ik uw dossier bekeken met een tweetal collegae. Wij komen tot de conclusie dat wij bij de berekening van uw draagkracht en daarbij in de hoogte van de toekenning van woonkostentoeslag, waartoe u een aanvraag deed, een fout hebben gemaakt. Ik heb u hierover vanochtend gebeld en uw voicemail ingesproken. De door ons gemaakte fout wordt vandaag hersteld. U krijgt daarover van ons een nieuw toekenningsbesluit over 2014. Een herstelbetaling wordt eveneens op korte termijn aan u gedaan. U heeft namelijk recht op een hoger bedrag over 2014 (zo’n 320 euro per maand i.p.v. 178 euro per maand). De berekening over 2015 wordt momenteel gedaan en wellicht hebben we daarover nog informatie van u nodig zoals ook bij de aanvraag 2014. Mijn oprechte excuus voor zowel de gemaakte fout als voor de niet adequate behandeling van uw bezwaar en ingebrekestelling. Ik vind dat, net als u, volstrekt onacceptabel.”

1.5.

Op 14 augustus 2015 heeft appellante wederom een mail ontvangen van de financieel directeur met de volgende inhoud:

“Mijn bericht van 7 augustus jl. blijkt na een herberekening onjuist. De herberekening bij controle leverde op (en dit is door een collega nog eens nagerekend) dat het eerdere besluit dat u van [organisatie] heeft ontvangen, nagenoeg correct is. Dat besluit, die berekening had tot gevolg moeten hebben dat u een iets lager bedrag zou moeten ontvangen per maand. Omdat wij geen lagere toekenning doen, blijft het eerdere besluit, waartegen uw bezwaar zich richt, in stand. Mijn mail van 7 augustus jl. is dus niet correct.”

1.6.

Op 19 augustus 2015 heeft appellante een mail gestuurd naar de financieel directeur met het verzoek de toegewezen dwangsom over te maken, alsnog het bij bezwaar van 31 december 2014 verzochte berekeningsoverzicht van de hoogte van de woonkostentoeslag toe te sturen alsmede de (her)berekeningen van de hoogte van de woonkostentoeslag over 2014 en 2015 waar in de mails van 7 augustus 2015 en 14 augustus 2015 aan is gerefereerd. Appellante heeft de verzochte (her)berekeningsoverzichten niet ontvangen. Wel heeft de financieel directeur in een mail van 20 augustus 2015 aangeboden met appellante in gesprek te gaan. Appellante is hier niet op ingegaan.

1.7.

Op 2 september 2015 en 7 september 2015 heeft appellante via het algemene mailadres van [organisatie] en via het contactformulier op de website van [organisatie] opnieuw verzocht om uitbetaling van de toegewezen dwangsom. Op 10 september 2015 is de toegewezen dwangsom uitbetaald.

1.8.

Op 3 oktober 2015 heeft appellante een brief ontvangen van een kwaliteitsmedewerker van [organisatie] (kwaliteitsmedewerker) met het verzoek met hem in gesprek te gaan. Naar aanleiding van deze brief heeft appellante op 13 oktober 2015 een mail gestuurd naar de kwaliteitsmedewerker met de mededeling dat zij, om in gesprek te kunnen gaan met hem, eerst de in de mail van 19 augustus 2015 genoemde (her)berekeningen nodig heeft.

1.9.

Op 12 november 2015 heeft appellante een mail ontvangen van de kwaliteitsmedewerker waarin hij zijn verontschuldigingen aanbiedt voor de late reactie op het verzoek van appellante om de berekening van de woonkostentoeslag. Bij deze mail heeft hij zijn berekening gevoegd, die op een lager bedrag aan woonkostentoeslag uitkomt dan het bedrag dat aan appellante is toegekend.

1.10.

Op 18 november 2015 heeft appellante de kwaliteitsmedewerker nogmaals per mail verzocht om alle (her)berekeningen waarom zij in de mails van 19 augustus 2015 en 13 oktober 2015 had verzocht, naar haar te mailen.

1.11.

Op 15 december 2015 heeft appellante, in reactie op haar mail van 18 november 2015, een mail ontvangen van de kwaliteitsmedewerker met de berekening die ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van 24 november 2014. Volgens hem zijn de in de mails van 7 en 14 augustus 2015 door de financieel directeur genoemde berekeningen niet bewaard gebleven. De kwaliteitsmedewerker heeft appellante verzocht aan te geven of het bezwaarschrift bij [organisatie] kan worden besproken of dat alsnog een hoorzitting bij de commissie bezwaarschriften van de gemeente Woerden moet worden ingepland. Appellante heeft hier niet op gereageerd.

1.12.

Eerder, op 13 oktober 2015 heeft appellante opnieuw bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag aangevraagd. Bij besluit van 15 december 2015 heeft het dagelijks bestuur appellante over de periode van 15 oktober 2015 tot en met 14 oktober 2016 een woonkostentoeslag toegekend tot een bedrag van € 183,58 per maand. Op 25 januari 2016 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.13.

Op 7 september 2016 heeft appellante wederom bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag aangevraagd. Bij besluit van 24 november 2016 heeft het dagelijks bestuur appellante over de periode van 15 oktober 2016 tot en met 14 oktober 2017 een woonkostentoeslag toegekend tot een bedrag van € 178,10 per maand. Op 29 december 2016 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.14.

Appellante heeft het college vanaf de eerste aanvraag om bijzondere bijstand tien keer in gebreke gesteld wegens het uitblijven van beslissingen naar aanleiding van haar bezwaren. Het college heeft viermaal de maximale dwangsom toegekend.

1.15.

Het dagelijks bestuur heeft appellante uiteindelijk op 11 oktober 2017 het rapport van 7 augustus 2015 van het nadien ingetrokken werkproces toegezonden. Daarin is de berekening waar de financieel directeur in zijn mail van 7 augustus 2015 op doelde opgenomen. Voor de in de mail van 14 augustus 2017 bedoelde berekening is toen verwezen naar het verweer in bezwaar van 14 juni 2017.

1.16.

Bij besluit van 30 november 2017 (besluit 1) heeft het dagelijks bestuur de door appellante gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 24 november 2014, 15 december 2015 en 24 november 2016 gegrond verklaard en deze besluiten herzien. In alle drie de besluiten was bij de berekening van de hoogte van de toe te kennen woonkostentoeslag geen rekening gehouden met de subsidiabele servicekosten die bij de huurprijs opgeteld mochten worden. Het dagelijks bestuur heeft een nieuwe berekening gemaakt en de toegekende woonkostentoeslag over de periode van 16 oktober 2014 tot en met 15 oktober 2015 gewijzigd vastgesteld op een bedrag van € 202,10 per maand, over de periode van 15 oktober 2015 tot en met 14 oktober 2016 op een bedrag van € 207,58 per maand en over de periode van 15 oktober 2016 tot en met 14 oktober 2017 op een bedrag van € 206,55 per maand. Appellante heeft in verband hiermee een nabetaling ontvangen van € 917,40.

2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen besluit 1. Hangende dit beroep heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 15 februari 2018 (besluit 2) besluit 1 ingetrokken, omdat het dagelijks bestuur in dat besluit de draagkracht van appellante onjuist had berekend. Het dagelijks bestuur heeft de toegekende woonkostentoeslag over de periode van 16 oktober 2014 tot en met 15 oktober 2015 gewijzigd vastgesteld op een bedrag van € 292,51 per maand, over de periode van 15 oktober 2015 tot en met 14 oktober 2016 op een bedrag van € 299,03 per maand en over de periode van 15 oktober 2016 tot en met 14 oktober 2017 op een bedrag van € 299,38 per maand. Appellante heeft in verband hiermee een nabetaling ontvangen van € 3.296,28 (€ 4.213,68 - € 917,40).

2.2.

Appellante heeft de rechtbank verzocht het dagelijks bestuur te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente in verband met de vertraagde betalingen. Tevens heeft appellante de rechtbank verzocht om het dagelijks bestuur te veroordelen tot vergoeding van de door haar als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming geleden immateriële schade tot een bedrag van € 6.000,- alsmede om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 6.000,-.

2.3.

Ter onderbouwing van dit verzoek voor zover het ziet op de geleden immateriële schade heeft appellante in beroep diverse medische stukken ingebracht, waaronder een brief van haar behandelend psychiater van 22 oktober 2018. Daarin is onder meer het volgende geschreven:

“Cliënte is jarenlang in behandeling bij reActivate Zorg i.v.m. complexe problematiek. Diagnostisch is er o.a. sprake van een angststoornis, een stemmingsstoornis en spanningsklachten. (…) De onbegrijpelijke en langdurige onterechte handelwijze van [organisatie] en het tot op heden negeren van de nadelige gevolgen hiervan op de gezondheidssituatie van cliënte, terwijl [organisatie] daar wel van op de hoogte was mede door eerdere medische rapporten, heeft geleid tot een versterking van gevoelens van onmacht en tot een forse toename van haar depressieve- en angstklachten waardoor er helaas inmiddels sprake is van psychisch letsel.”

2.4.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 nietontvankelijk verklaard, het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, voor zover daarbij geen wettelijke rente is toegekend en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het dagelijks bestuur inmiddels die rente – tot een bedrag van € 201,57 – aan appellante vergoed had en dit niet meer in geschil was. Tevens heeft de rechtbank het dagelijks bestuur veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan appellante tot een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit € 500,- voor geleden immateriële schade en € 2.000,- in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

2.5.

De rechtbank heeft over het verzoek om schadevergoeding wegens psychisch letsel geoordeeld dat appellante aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg van de langdurige procedure over de woonkostentoeslag en het onrechtmatige besluit van 30 november 2017 immateriële schade heeft geleden en dat deze schade aan het dagelijks bestuur kan worden toegerekend. De rechtbank heeft een vergoeding van € 500,- billijk geacht. Daarbij heeft de rechtbank zich onder meer gebaseerd op de in 2.3 genoemde brief van de behandelend psychiater van appellante.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het verzoek om immateriële schadevergoeding is toegewezen tot slechts een bedrag van € 500,-.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil beperkt zich tot de vraag of de rechtbank de immateriële schade van appellante met juistheid heeft begroot op een bedrag van € 500,-, waar appellante verzocht had om een bedrag van € 6.000,-.

4.2.

Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (zie onder meer de uitspraak van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466).

4.3.1.

Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

4.3.2.

Van de laatste categorie van immateriële schade is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Zie het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376.

4.3.3.

Bij de vaststelling van de schadevergoeding naar billijkheid moet rekening gehouden worden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de ernst van het letsel, de aard, de duur en de ernst van de verweten gedraging, de aard van de aansprakelijkheid en de economische omstandigheden van beide partijen.

4.4.

Dat sprake is van geestelijk letsel als bedoeld in 4.3.2 als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming is niet in geschil. De ernst van dit letsel en de forse toename van de klachten volgen uit de door appellante ingebrachte medische stukken, waaronder de in 2.3 genoemde brief van haar behandelend psychiater.

4.5.

Evenmin is in geschil dat de handelwijze van het dagelijks bestuur zeer onzorgvuldig is geweest. Ter zitting heeft de gemachtigde van het dagelijks bestuur dit zelf ook onderkend door de handelwijze van het dagelijks bestuur te omschrijven als ‘zwaar ondermaats’. Er is sprake geweest van een zeer langdurig, rommelig, tegenstrijdig en herhaaldelijk foutief besluitvormingstraject. Immers, zoals uit de onder 1 vastgestelde feiten volgt, is het dagelijks bestuur pas na meer dan drie jaar, waarbij telkens andere berekeningen werden gemaakt, erin geslaagd een juiste berekening te maken van de hoogte van de woonkostentoeslag. Daarbij heeft het dagelijks bestuur de mails van appellante gedurende het traject niet, niet tijdig, onvolledig of zelfs onjuist beantwoord.

4.6.

Rekening houdend met alle omstandigheden als in 4.3.3 bedoeld, in het bijzonder de aard en de ernst van het letsel, zoals dit tot uitdrukking komt in de brief van de behandelend psychiater, en de uitermate onzorgvuldige handelwijze van het dagelijks bestuur als beschreven in 4.5 en de gevolgen daarvan voor appellante zoals beschreven in 4.4, acht de Raad, anders dan de rechtbank, een vergoeding van € 750,- billijk. Voor toekenning van een hoger bedrag bestaat geen aanleiding.

4.7.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover aangevochten en dat het dagelijks bestuur dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 750,- aan appellante.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

  • -

    veroordeelt het dagelijks bestuur tot vergoeding aan appellante van immateriële schade tot een bedrag van € 750,-;

  • -

    bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. van Paridon en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M.E. van Donk