Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1142

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
18/6606 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering appellant in aanmerking te brengen voor re-integratie-instrumenten loonkostensubsidie en tijdelijke jobcoaching. Afgewezen aanvraag om toegelaten te worden tot de doelgroep loonkostensubsidie.

Uit de toepasselijke wettelijke bepalingen volgt dat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie aanspraak kunnen maken op loonkostensubsidie en op begeleiding op de werkplek in de vorm van tijdelijke jobcoaching. De vraag is of het college terecht heeft vastgesteld dat appellant niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Het college heeft zijn standpunt daarover gebaseerd op het verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek van het Uwv. Dit onderzoek leidt tot de conclusie dat appellant in staat is om met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen. Daarmee voldoet appellant niet aan de wettelijke voorwaarden en de voorwaarden in de verordening om te behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie. Wat appellant daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat het college de adviezen van het Uwv niet mocht volgen. Het college heeft de aanvraag om toegelaten te worden tot de doelgroep loonkostensubsidie terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6606 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 november 2018, 18/3523 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Gouda (college)

Datum uitspraak: 11 mei 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.M.C. Koudijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 2010 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 3 april 2017 heeft de werkcoach van appellant bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) voor appellant een zogeheten Indicatie banenafspraak aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellant medisch onderzocht en heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv een arbeidsdeskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 15 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 februari 2018, heeft het Uwv de aanvraag Indicatie banenafspraak afgewezen omdat appellant het minimumloon kan verdienen. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank van 5 september 2018 ongegrond verklaard.

1.3.

Bij uitspraak van 12 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1853, heeft de Raad de in 1.2 vermelde uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daartoe heeft de Raad – samengevat weergegeven – overwogen dat de rechtbank het medisch onderzoek terecht als zorgvuldig heeft aangemerkt. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische stukken overgelegd die tot een andere conclusie moeten leiden. Appellant is op grond van de vastgestelde beperkingen in staat een nader genoemde drempelfunctie uit te voeren. Omdat appellant in staat is een drempelfunctie uit te voeren, wordt hij geacht het wettelijk minimumloon te kunnen verdienen.

1.4.

Het college heeft bij besluit van 29 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 april 2018 (bestreden besluit), geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor de re-integratie-instrumenten loonkostensubsidie en tijdelijke jobcoaching, zoals beschreven in de PW, de Re-integratieverordening Gouda 2017 (verordening) en de Re-integratieregeling Gouda 2017 (regeling). Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet tot de doelgroep behoort omdat hij betaald werk kan verrichten en in staat is om met een volledige baan het wettelijk minimumloon te verdienen. Appellant kan daarom geen aanspraak maken op de door hem gewenste loonkostensubsidie en tijdelijke jobcoaching.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het volgende wettelijk kader is voor de beoordeling van betekenis.

Loonkostensubsidie

4.1.1.

Op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, van de PW wordt onder de doelgroep loonkostensubsidie verstaan: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (…). Ingevolge artikel 6, tweede lid, onder a, van de PW stelt de gemeenteraad bij verordening regels over de doelgroep loonkostensubsidie (…). Deze regels bepalen in ieder geval de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot die doelgroep behoort. De hier bedoelde verordening is de in 1.4 vermelde verordening.

4.1.2.

Het college kan op een schriftelijke aanvraag of ambtshalve vaststellen of een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, of artikel 10d, tweede lid, tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Dat staat in artikel 10c, eerste lid, van de PW.

4.1.3.

In artikel 10d van de PW is geregeld op welke wijze en onder welke voorwaarden aan een werkgever loonkostensubsidie kan worden verstrekt.

4.1.4.

Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Dat is bepaald in artikel 21, eerste lid, van de verordening. Op grond van het tweede lid neemt het college daarbij de volgende, aan artikel 6, eerste lid, onder e, van de PW ontleende, cumulatieve criteria in acht. Een persoon behoort tot de doelgroep van artikel 7, eerste lid, onder a, van de PW, of als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de PW, én die persoon is niet in staat om met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen én die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

Tijdelijke jobcoaching

4.1.5.

Personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hebben aanspraak op begeleiding op de werkplek. Dat staat in artikel 10da van de PW.

4.1.6.

Het college kan een persoon die behoort tot deze doelgroep begeleiding naar en tijdens het werk aanbieden. Dat is bepaald in artikel 12 van de verordening. In artikel 4 van de verordening is bepaald dat het college ten aanzien van de voorzieningen, met inachtneming van wat daarover in de PW en de verordening is bepaald, nadere regels kan stellen.

4.1.7.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de regeling kan een betrokkene een aanvraag indienen om tijdelijke jobcoaching indien dit nodig is om te kunnen werken. In het tweede lid, onder b, is bepaald dat jobcoaching kan worden aangeboden aan de betrokkene die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in art. 6, eerste lid, sub e, van de PW.

4.2.

Uit de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6, eerste lid, onder e, van de PW (TK, 2013-2014, 33 161, nr. 107, p. 41, p. 58 e.v.) volgt dat de loonkostensubsidie is bedoeld voor mensen met een arbeidsbeperking die wel arbeidsvermogen hebben, maar niet in staat zijn om het wettelijk minimumloon te verdienen. Voor mensen met een arbeidsbeperking die het wettelijk minimumloon kunnen verdienen, kunnen gemeenten reguliere re-integratie-instrumenten inzetten. Gemeenten kiezen (binnen de kaders van de wet) de manier waarop zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of de loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet. Dit wordt vastgelegd in een verordening. Gemeenten kunnen zelf onderzoek verrichten of hiervoor een organisatie – bijvoorbeeld het Uwv – inschakelen (TK, 2013-2014, 33 161, nr. 107, p. 62).

4.3.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het college gebruik had moeten maken van de discretionaire bevoegdheid om de adviezen van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige van het Uwv niet te volgen en hem alsnog in aanmerking te brengen voor loonkostensubsidie en tijdelijke jobcoaching. Uit de omstandigheid dat appellant ook niet met hulp van een werkcoach aan het werk is gekomen, blijkt namelijk dat appellant op deze re-integratie-instrumenten is aangewezen.

4.3.1.

Deze grond slaagt niet. Daarbij is het volgende van belang.

4.3.2.

Uit de onder 4.1 genoemde bepalingen volgt dat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie aanspraak kunnen maken op loonkostensubsidie en op begeleiding op de werkplek in de vorm van tijdelijke jobcoaching. Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of het college op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.

4.3.3.

Het college heeft de conclusie dat appellant niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie gebaseerd op het in 1.2 vermelde verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek van het Uwv. Dit onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat appellant in staat is om met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen. Daarmee voldoet appellant niet aan de voorwaarden als neergelegd in artikel 6, eerste lid, onder e, van de PW en artikel 21, tweede lid, van de verordening om te behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie. De enkele omstandigheid dat het appellant met de hulp van een werkcoach niet is gelukt om een betaalde baan te vinden, is onvoldoende voor het oordeel dat het college de adviezen van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige van het Uwv niet mocht volgen. Uit deze omstandigheid blijkt namelijk niet dat appellant – anders dan uit de adviezen van het Uwv volgt – wel behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.

4.3.4.

Het voorgaande betekent dat het college terecht de aanvraag van appellant om toegelaten te worden tot de doelgroep loonkostensubsidie heeft afgewezen.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter, in tegenwoordigheid van

B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2021.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) B. van Dijk