Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1137

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
20/2387 PW-G
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2021:1136 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2021:296.

Ten onrechte beëindiging bijstand. Tijdelijk verblijf bij ouders betekent niet dat appellante niet meer in haar oude woonplaats woonde. College heeft bijstand ten onrechte beëindigd op de grond dat appellant niet meer woonachtig was in de gemeente. Verblijf bij ouders was tijdelijk en uitsluitend het gevolg van de tijdelijke maatregelen in verband met de coronapandemie. Appellante heeft het centrum van haar maatschappelijk leven behouden in haar eigen woonplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2387 PW-G

Datum uitspraak: 12 januari 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2020, 20/2704 en 20/3171 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in deze zaak heeft, gelijktijdig met dat in de zaak 20/2675 PW, plaatsgevonden op 1 december 2020. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.M.A. Desain en mr. W. Breure. Betrokkene heeft via een telefoonverbinding aan de zitting deelgenomen, bijgestaan door mr. Hulsman, die ter zitting aanwezig was.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene lijdt aan hyperacusis, een fysieke aandoening waarbij sprake is van overgevoeligheid voor geluid. Zij leeft in verband met haar aandoening al ongeveer vijf jaar de meeste tijd in een speciaal uitgeruste bestelauto (auto), waarin zij geluidsarm kan slapen en verblijven. In de auto zijn geen toiletfaciliteiten. Betrokkene is hiervoor aangewezen op voor publiek toegankelijke ruimten. Zij was ten tijde hier van belang ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) van de gemeente [gemeente 1] met een briefadres. In de periode van 22 januari 2019 tot 1 juli 2019 bewoonde zij een door haar gehuurde woning in deze gemeente. In die periode was zij in de BRP ingeschreven op het desbetreffende adres.

1.2.

Het college heeft aan betrokkene vanaf 14 januari 2014, met enkele onderbrekingen, bijstand verleend, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm van een alleenstaande. Na de melding van betrokkene aan het college dat zij in de auto leeft, zijn aan betrokkene verplichtingen opgelegd om te kunnen controleren of zij feitelijk in de gemeente [gemeente 1] verblijft. Bij besluit van 21 februari 2019 heeft het college, nadat de bijstand van betrokkene eerder was beëindigd, aan betrokkene met ingang van 1 oktober 2018 opnieuw bijstand verleend, over de periode tot 22 januari 2019 naar de norm voor een alleenstaande zonder woonkosten en vanaf die datum naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 19 juli 2019 heeft het college de bijstand weer vastgesteld naar de norm voor een alleenstaande zonder woonkosten. Daarbij heeft het college tevens gewijzigde verplichtingen met betrekking tot het verblijf van betrokkene opgelegd, waarbij de drie standplaatsen in de gemeente [gemeente 1] zijn vermeld waar betrokkene in haar auto ‘s nachts verblijft, en is betrokkene verplicht dagelijks bij de handhaver te melden op welke van deze drie plaatsen zij overnacht.

1.3.

Op 20 maart 2020 heeft betrokkene per e-mailbericht aan haar contactpersoon bij de gemeente [gemeente 1] het volgende te kennen gegeven:

“wegens corona zijn vrijwel alle publieke gebouwen en toiletfuncties gesloten, of alleen op afspraak toegankelijk. Het ontbreekt mij hierdoor alle dagen overdag aan de meest elementaire ondersteuning, zoals warmte, (…) toilet en douche, wat reeds de afgelopen week heeft gezorgd voor chronische onderkoelings- en uitputtingsverschijnselen.

Mijn ouders bieden mij per ingang van dit weekend, 21 maart 2020, mantelzorg aan voor de periode dat het openbare leven in [gemeente 1] stil staat door de crisis.

(…)

Om eindeloze heen- en weerrijd kosten te voorkomen tussen [gemeente 2] en [gemeente 1] , bieden mijn ouders ook de nachtzorg aan. Ik ben van plan deze zorg vanuit overmacht te accepteren, tenzij gemeente [gemeente 1] een andere gelijkwaardige en voor mij betaalbare optie biedt.”

1.4.

Bij brief van 2 april 2020 heeft een medewerker van de gemeente [gemeente 1] op de volgende wijze gereageerd:

“In antwoord op uw verzoek van 22 maart 2020 verlenen wij u toestemming tot 6 april 2020 voor verblijf bij uw ouders (…), ten behoeve van de mantelzorg die zij aan u verlenen. De getroffen maatregelen zijn op 31 maart 2020 reeds verlengd tot 28 april 2020. Wij gaan er reeds vanuit dat u op dit moment bij uw ouders verblijft.

Indien u vanaf 28 april 2020 nog bij uw ouders verblijft, wordt u verzocht dit na

28 april 2020 zo spoedig mogelijk kenbaar te maken.

De datum van 28 april 2020 is gekozen in het kader van de getroffen coronamaatregelen, welke vooralsnog tot 28 april 2020 gelden.

Wij wijzen u erop dat indien u langdurig bij uw ouders verblijft dit gevolgen kan hebben voor uw feitelijke hoofdverblijf”.

1.5.

Op 28 april 2020 heeft betrokkene per e-mailbericht aan haar contactpersoon bij de gemeente [gemeente 1] het volgende verzoek gedaan:

“In navolging van onze regering die de coronamaatregelen voor het openbare leven verlengt [tot en met] 20 mei 2020, zou ik graag verlenging van de toestemming voor mantelzorg vragen, [tot en met] diezelfde datum”.

1.6.

Bij besluit van 4 mei 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 juni 2020 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van betrokkene met ingang van 11 mei 2020 beëindigd. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat weergegeven, ten grondslag dat betrokkene op 11 mei 2020 haar werkelijk verblijf en daarmee haar woonplaats als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW niet langer heeft in de gemeente [gemeente 1] , maar in de gemeente [gemeente 2] en dat zij in die gemeente bijstand kan aanvragen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank), voor zover van belang, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 4 mei 2020 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat de bijstand ten onrechte met ingang van 11 mei 2020 is beëindigd en ongewijzigd dient te worden voortgezet. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende – kort weergegeven – overwogen. De omstandigheden waaronder het college laatstelijk de uitkering op grond van de PW aan betrokkene heeft toegekend zijn niet gewijzigd. Zij heeft de gemeente [gemeente 1] als haar woonstede niet prijsgegeven, zoals verweerder in het bestreden besluit vermeldt. Immers, vanwege de uitzonderlijke situatie, ontstaan door de coronacrisis, kon betrokkene als uitvloeisel van de Noodverordening van de voorzitter van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond tijdelijk geen gebruik maken van de voor publiek openbare ruimten, die zij gewend is te gebruiken in de gemeente [gemeente 1] , en daarom mocht zij met toestemming van het college en met behoud van haar uitkering tot 28 april 2020 gebruikmaken van de mantelzorg door haar ouders. Het is het college bekend dat haar ouders buiten de gemeente [gemeente 1] wonen. Betrokkene heeft in dit verband ook te kennen gegeven dat haar ouders slechts noodopvang bieden, gezien de onveilige situatie in de openbare ruimte en het ontbreken van publieke voorzieningen als gevolg van de coronamaatregelen, dat zij zich niet kan inschrijven bij haar ouders, omdat daar geen ruimte is en haar ouders daarvoor geen toestemming verlenen. Dat zij ook na 28 april 2020 bij haar ouders is gebleven, kan niet aan betrokkene worden verweten. Het is betrokkene die tijdig om verlenging heeft gevraagd en het college die betrokkene hierover in het ongewisse heeft gelaten door niet te reageren op het verzoek om verlenging. Het college heeft in plaats daarvan de uitkering van betrokkene beëindigd. Zij maakt, naar de rechtbank begrijpt, sinds 4 juni 2020 geen gebruik meer van de voorzieningen van haar ouders en verblijft weer in haar auto in de gemeente [gemeente 1] . Ter zitting heeft betrokkene onweersproken gesteld dat zij daar haar zorg van behandelaars en huisarts heeft, dat ze de geluidskaart kent en weet bij welke (publieke) voorzieningen zij terecht kan.

3. In hoger beroep heeft het college zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot beëindiging van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan de bijstandverlenende instantie is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor beëindiging is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie rust.

4.2.

De vraag die in hoger beroep moet worden beantwoord is of het college aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene op 11 mei 2020 haar woonplaats niet langer in de gemeente [gemeente 1] had.

4.3.

Vooropgesteld wordt dat nu 11 mei 2020 de te beoordelen peildatum is, de gronden van het college die betrekking hebben op de ontwikkelingen na 11 mei 2020 buiten bespreking worden gelaten.

4.4.

Het college heeft aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste uitleg van het begrip woonplaats als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW heeft gegeven. Volgens artikel 10 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Nu betrokkene niet over een woning beschikte en daarmee in de gemeente [gemeente 1] niet haar woonstede had, is volgens het college enkel het werkelijk verblijf bepalend en dat lag, gelet op het verblijf van betrokkene bij haar ouders, in de gemeente [gemeente 2] . Het college verwijst in dit verband naar de uitspraak van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2560. Betrokkene had volgens het college dan ook niet langer recht op bijstand jegens het college van de gemeente [gemeente 1] .

4.5.1.

In artikel 40, eerste lid, van de PW is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het BW. Volgens die bepalingen bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Onder woonstede wordt hier woning verstaan. Zie het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2101 en de in 4.4 genoemde uitspraak. Aan de inschrijving in de BRP komt geen doorslaggevende betekenis toe. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432).

4.5.2.

Voor het antwoord op de vraag waar iemand zijn woonplaats heeft, is bepalend de plaats waar hij/zij daadwerkelijk woont en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW dient dan ook te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 11 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8937).

4.5.3.

Als de woon- en verblijfsituatie wordt gewijzigd met een vooropgezet tijdelijk karakter wordt daarmee in beginsel niet het woonadres verplaatst. Dit geldt als de wijziging van korte duur is en verband houdt met het tijdelijk niet of niet goed kunnen bewonen van de eigen woning, bijvoorbeeld wegens een renovatie. Daarnaast is vereist dat er geen aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich in die periode elders heeft gevestigd en de betrokkene moet na die – korte – periode in zijn/haar woning zijn teruggekeerd. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2865).

4.6.

Niet in geschil is dat betrokkene tot 21 maart 2020 – vanaf die datum kreeg betrokkene tijdelijk onderdak bij haar ouders in de gemeente [gemeente 2] – in de gemeente [gemeente 1] haar woonplaats had als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW. Betrokkene had een briefadres in de gemeente [gemeente 1] , woonde in haar auto, verbleef gedurende de nachten in haar auto op de met het college afgesproken standplaatsen in de gemeente [gemeente 1] , deed in die gemeente haar inkopen, ging daar naar de huisarts en naar de osteopaat en had in de gemeente haar vrienden. Het centrum van haar maatschappelijk leven lag aldus, ook volgens het college, in de gemeente [gemeente 1] .

4.7.

Het standpunt van het college, zoals dat volgt uit 4.4, dat betrokkene op 11 mei 2020 door het enkele verblijf bij haar ouders het centrum van haar maatschappelijk leven niet langer in de gemeente [gemeente 1] had, is niet juist. Betrokkene was nog steeds in de gemeente [gemeente 1] als ingezetene ingeschreven met een briefadres. Daarnaast waren ook zowel het werkelijk verblijf van betrokkene, als haar overige omstandigheden bepalend voor de vraag waar zich het centrum van haar maatschappelijk leven bevond. Betrokkene heeft onweersproken gesteld dat haar sociale leven zich nog steeds in de gemeente [gemeente 1] afspeelde. Bovendien was het verblijf van betrokkene bij haar ouders tijdelijk en uitsluitend het gevolg van het feit dat zij door de tijdelijke maatregelen van de regering in verband met de coronapandemie geen gebruik kon maken van de publieke ruimten en sanitaire voorzieningen in de gemeente [gemeente 1] . Betrokkene heeft onweersproken gesteld dat zij, zodra die publieke ruimten en sanitaire voorzieningen weer toegankelijk zouden worden, het tijdelijk verblijf bij haar ouders zou beëindigen en dat dan de situatie van vóór 21 januari 2020 zou herleven. Het college heeft in het licht van deze omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene op 11 mei 2020 in de gemeente [gemeente 1] geen woonplaats meer had als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW. De door het college in aangehaalde, in 4.4 genoemde uitspraak maakt dat niet anders. In dat geval was terugkeer naar de oude situatie nu juist niet mogelijk.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 534,- voor verleende rechtsbijstand. Verder wordt van het college op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht een griffierecht van € 532,- geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het college in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 534,-;

- bepaalt dat van het college een griffierecht van € 532,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.J.M. Heijs en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2021.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.B. Beerens