Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
19/4482 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:7544, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid voor de WIA terecht vastgesteld op 39,10%. Geen aanleiding voor twijfel aan de medische beoordeling door het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4482 WIA

Datum uitspraak: 12 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
27 september 2019, 18/6319 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. el Ouath, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 31 maart 2021. Appellante is verschenen, vergezeld door haar zoon, en bijgestaan door mr. El Ouath. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft zich, vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, op 30 mei 2014 ziek gemeld wegens diverse lichamelijke klachten en psychische klachten. Nadat appellante de wachttijd van 104 weken had volbracht, heeft het Uwv haar per 27 mei 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 36,60%. De LGU-uitkering is geëindigd op

26 september 2017. Met ingang van deze datum heeft appellante recht op een

WGA-vervolguitkering. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd gebleven.

1.2.

Appellante heeft op 10 januari 2018 aan het Uwv gemeld dat haar gezondheidssituatie vanaf oktober 2017 is verslechterd. Naar aanleiding van deze melding heeft appellante op
6 februari 2018 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft de belastbaarheid van appellante neergelegd in de FML van 10 april 2018. Met inachtneming van deze FML heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 6 juni 2018 heeft het Uwv vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per
6 februari 2018 is vastgesteld op 37,03% en dat de arbeidsongeschiktheidsklasse hiermee ongewijzigd blijft. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 8 november 2018 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante gegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 25 oktober 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 6 november 2018 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante juist is neergelegd in de door de verzekeringsarts opgestelde FML. De ingangsdatum van de FML is gewijzigd naar 22 oktober 2017 omdat appellante zelf heeft aangegeven dat haar gezondheidssituatie per oktober 2017 is verslechterd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens de geselecteerde functies opnieuw beoordeeld en geconcludeerd dat één functie komt te vervallen. Op basis van de functies van machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 39,10%. Dit betekent dat appellante per
22 oktober 2017 ongewijzigd recht heeft op een WGA-vervolguitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Wel is de restverdiencapaciteit gewijzigd van
€ 1.204,98 naar € 1.155,64 per maand. Voor het overige blijft het besluit van 6 juni 2018 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. Er was voor de verzekeringsartsen geen aanleiding om informatie bij PsyQ op te vragen. Appellante heeft tijdens het spreekuurcontact bij de verzekeringsarts niet gemeld dat zij in behandeling was bij PsyQ. Tijdens de hoorzitting heeft appellante verklaard sinds 1 april 2018 bij PsyQ in behandeling te zijn, dit is ruim na de datum in geding. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Appellante heeft in beroep een brief van 5 december 2018 van een psycholoog, werkzaam bij PsyQ, overgelegd. In een aanvullend rapport van 8 februari 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar hierover toegelicht dat blijkt dat de psychische klachten van appellante nog nader worden onderzocht en vooralsnog worden geduid als mogelijk dissociatie. Vooralsnog zijn er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanwijzingen dat sprake is van een ernstig psychiatrisch beeld. Over het door appellante gebruikte medicijn amitriptyline heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat dit niet alleen een antidepressivum is, maar ook wordt gebruikt als pijnstiller. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat in het rapport van de verzekeringsarts is vermeld dat appellante deze medicatie slikt tegen de pijn. Over de door appellante overgelegde brief van 18 juni 2019 van een psychiater, werkzaam bij PsyQ, heeft de rechtbank overwogen dat deze brief vooral ziet op de situatie van na de datum in geding. Voor zover deze brief ziet op de situatie ten tijde van de datum in geding betreft het een herhaling van de brief van 5 december 2018. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat de klachten van het tollen en de duizeligheidsklachten somatisch onverklaarbare lichamelijke klachten zijn waarvoor geen medisch objectiveerbare oorzaak is aan te wijzen. Deze klachten kunnen daarom niet tot meer beperkingen kan leiden. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toereikend gemotiveerd dat appellante in staat wordt geacht om met het openbaar vervoer te reizen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 6 november 2018 en in het Resultaat functiebeoordeling voldoende heeft toegelicht dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante in essentie de in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen erop neer dat het Uwv de belastbaarheid van appellante heeft overschat. Appellante acht zich, met name vanwege haar psychische klachten, volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Appellante heeft aangevoerd dat zij het medicijn amitriptyline als antidepressivum gebruikt. Voorts heeft appellante herhaald dat zij al vanaf oktober 2016 in behandeling was bij PsyQ en niet vanaf 1 april 2018, zoals het Uwv heeft gesteld. Volgens appellante had het Uwv informatie moeten opvragen bij PsyQ. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat het Uwv bij PsyQ informatie had moeten opvragen over de toekomstige ontwikkelingen in haar situatie. Volgens appellante hebben de duizeligheidsklachten en het tollen mogelijk een psychische oorzaak. Dit zou nader moeten worden onderzocht. Appellante heeft ter zitting verzocht om haar in de gelegenheid te stellen om een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Uit de stukken blijkt dat appellante vanaf april of juni 2017 op de wachtlijst heeft gestaan bij PsyQ voor behandeling. Ten tijde van het spreekuurcontact bij de verzekeringsarts op 6 februari 2018 was appellante niet onder behandeling. Uit de stukken blijkt dat appellante in april 2018 is begonnen met de behandeling bij PsyQ. Gelet op deze omstandigheden was er geen sprake van een situatie waarin het opvragen van informatie bij de behandelend sector is aangewezen. Dat appellante psychische klachten had, was al bekend bij het Uwv en deze klachten hebben ook geleid tot het aannemen van beperkingen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 22 oktober 2017 heeft vastgesteld op 39,10%.

4.3.

Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak in essentie dezelfde beroepsgronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden besproken en heeft genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven in de overwegingen 6.2 tot en met 6.4 van de aangevallen uitspraak, worden onderschreven. De door appellante in hoger beroep gegeven nadere toelichting op deze gronden bevat geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. Hiertoe wordt overwogen dat volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4312) raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin al een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van beide situaties was aan de orde ten tijde van het spreekuurcontact van de verzekeringsarts op 6 februari 2018 of tijdens de bezwaarprocedure. Gelet hierop was er voor de verzekeringsartsen geen aanleiding om informatie op te vragen bij PsyQ. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 8 februari 2019 inzichtelijk gemotiveerd dat de door appellante in beroep overgelegde brieven van
5 december 2018 en van 18 juni 2019 van PsyQ geen aanleiding geven voor een ander standpunt over de belastbaarheid van appellante. In de brief van 18 juni 2019 van PsyQ is vermeld dat appellante vanaf 31 oktober 2016 in behandeling is geweest, zoals appellante heeft gesteld. Hiervoor is echter geen steun te vinden in de overige gedingstukken. Uit de overige gedingstukken, waaronder een notitie van een telefoongesprek met appellante op
4 juli 2018, blijkt dat appellante in april 2018 is gestart met de behandeling bij PsyQ. Het standpunt van appellante dat zij het medicijn amitriptyline slikt als antidepressivum en niet als pijnstiller, vindt geen steun in de gedingstukken. Ter zitting heeft appellante ook verklaard dat zij niet kan onderbouwen dat dit medicijn als antidepressivum is voorgeschreven. Over de duizeligheidsklachten en het tollen wordt overwogen dat hiernaar onderzoek is gedaan en dat hiervoor geen medisch objectiveerbare oorzaak is gevonden, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook heeft toegelicht in het rapport van 8 februari 2019. Gelet hierop geven deze klachten volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om meer beperkingen aan te nemen. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd zodat er geen aanleiding is om aan dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.

4.4.

Uit overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de medische beoordeling door het Uwv. Dit betekent dat er geen aanleiding is om een onafhankelijke deskundige in te schakelen, zoals appellante ter zitting heeft verzocht. Nu het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 22 oktober 2017 terecht heeft vastgesteld op 39,10% en appellante dus niet volledig arbeidsongeschikt is, hoeft over de duurzaamheid van de beperkingen geen oordeel te worden gegeven.

4.5.

Uit overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.

(getekend) S. Wijna

De griffier is verhinderd te ondertekenen.