Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:1126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
19/1723 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft terecht afwijzend beslist op het verzoek van appellante (werkgeeftser) om aan betrokkene een maatregel op te leggen. Zoals het Uwv terecht heeft gesteld, zal door het Uwv voorgeschoten ziekengeld worden verhaald op de eigenrisicodrager en onverhaalde ZW-uitkeringen worden gefinancierd vanuit het Arbeidsongeschiktheidsfonds, dat niet wordt genoemd in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Dit betekent dat ook in zoverre geen sprake is van benadeling van de ten tijde in geding in artikel 45 eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW genoemde fondsen of kas. Het Uwv heeft dan ook terecht geweigerd betrokkene een maatregel op te leggen omdat artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW daar ten tijde in geding geen grondslag voor bood.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1723 ZW

Datum uitspraak: 12 mei 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

11 maart 2019, 18/1602 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] , wonende te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. Van Dijk aanvullende gronden ingediend

Namens betrokkene heeft mr. E. Weijer, advocaat, een zienswijze en aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2021. Namens appellante zijn verschenen [naam] , algemeen directeur, en mr. G.M. Hissink, advocaat en kantoorgenoot van mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. Voor betrokkene zijn verschenen mrs. R. van Dijken en Weijer. Betrokkene heeft via beeldbellen deelgenomen aan de zitting.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is sinds 1 januari 2014 eigenrisicodrager voor de Ziektewet (ZW). Betrokkene is per 1 december 2014 op basis van een jaarcontract bij appellante gaan werken als eerstelijns servicedeskmedewerker. Op 25 juni 2015 heeft hij zich ziek gemeld. Op 15 juli 2015 is betrokkene op staande voet ontslagen omdat hij certificaten, waaruit zijn bekwaamheid voor de functie moest blijken, niet aan appellante heeft verstrekt. Op 27 juli 2016 heeft appellante het Uwv met een formulier “Verzoek om een beschikking over de Ziektewet-uitkering” verzocht een besluit af te geven inhoudende de oplegging aan betrokkene van de maatregel van een blijvende, gehele weigering van het ziekengeld. Volgens appellante heeft betrokkene een benadelingshandeling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW gepleegd. Betrokkene zou door eigen toedoen verwijtbaar werkloos geworden zijn en zijn recht op loon hebben prijsgegeven door dit ontslag niet aan te vechten, aldus appellante.

1.2.

Bij besluit van 17 november 2016 heeft het Uwv afwijzend beslist op het verzoek van appellante om aan betrokkene een maatregel op te leggen. Het tegen dat besluit door appellante gemaakte bezwaar is door het Uwv bij beslissing op bezwaar van 12 februari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante als eigenrisicodrager voor de ZW verantwoordelijk is voor de betaling van het ziekengeld op en na 15 juli 2015 waardoor de limitatief opgesomde fondsen in artikel 45 ZW, zoals dat artikel luidde op 15 juli 2015, door het gedrag van betrokkene niet zijn benadeeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 19 december 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:4150) heeft de rechtbank geoordeeld dat artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW tot 1 januari 2018 geen grondslag biedt om betrokkene een maatregel op te leggen. Volgens de rechtbank is van een mandaatverhouding, zoals door appellante gesteld, tussen het Uwv en de eigenrisicodrager geen sprake. Het Uwv heeft terecht geweigerd om betrokkene een maatregel op te leggen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante de gronden van beroep overwegend herhaald. Zij heeft opnieuw aangevoerd dat de eigenrisicodrager enkel en alleen de betalingsverplichting overneemt van het Uwv en de betaling namens het Uwv doet. Er is sprake van een mandaatverhouding in die zin dat de feitelijke betaling die de eigenrisicodrager doet juridisch gezien moet worden als een betaling door het Uwv. Daarom raakt de benadelingshandeling door de betrokkene ook het Uwv en is daarmee sprake van een benadeling van de fondsen, zoals die ten tijde in geding genoemd werden in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Omdat er geen zelfstandige verplichting voor de eigenrisicodrager is om het ziekengeld te betalen, is volgens appellante een zelfstandige benoeming van de eigenrisicodrager in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW niet nodig. Volgens appellante moet de wijziging van de wet per 1 januari 2018, waarbij de benadeling van de eigenrisicodrager aan dat artikelonderdeel werd toegevoegd, slechts worden gezien als een verduidelijking van de wetgever.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

3.3.

Betrokkene heeft een zienswijze ingebracht. Hij onderschrijft het standpunt van het Uwv dat er geen wettelijke basis is om hem op grond van een benadelingshandeling ziekengeld te weigeren en betwist bovendien dat hij een benadelingshandeling heeft gepleegd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW, zoals deze bepaling ten tijde in geding luidde, weigert het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, indien de verzekerde door zijn doen of laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid benadeelt of zou kunnen benadelen.
Handelen van een verzekerde in strijd met de verplichting die uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW voortvloeit, wordt aangeduid als het plegen van een benadelingshandeling.

4.1.2.

Op grond van artikel 63a, eerste lid, van de ZW verricht de eigenrisicodrager met betrekking tot personen die op grond van artikel 29, tweede lid, van de ZW recht hebben op ziekengeld en laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van de ZW inzake uitkeringen, met uitzondering van besluiten tot oplegging van een boete en besluiten op grond van bezwaar of beroep.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat bij de uitvoering van het eerste lid de eigenrisicodrager voor de toepassing van de artikelen 28, eerste lid, 29g, tweede lid, 30, derde lid, 37, eerste lid, en 39, eerste en tweede lid, van de ZW, in de plaats treedt van het Uwv.

4.1.3.

Op grond van artikel 2, eerste en derde lid, van de Regeling werkzaamheden, administratieve voorschriften en kosten eigenrisicodragen ZW (Stcrt. 2009, 20617) doet de eigenrisicodrager een voorstel voor een door het Uwv te nemen besluit op een daartoe door het Uwv beschikbaar gesteld formulier.

4.1.4.

Gelet op de memorie van toelichting bij de Wet eigenrisicodragen Ziektewet (Kamerstukken II 2000-2001, 27 873, nr. 3, p. 3) blijft het Uwv bij een werkgever die eigenrisicodrager is verantwoordelijk voor de uitvoering van de ZW en geeft het Uwv de besluiten af waartegen bezwaar door de belanghebbende(n) kan worden gemaakt. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten over het uitkeren van ziekengeld berust daarom bij het Uwv. De eigenrisicodrager neemt de betaling van het ziekengeld over van het Uwv. Dit impliceert dat de rechten en de plichten van de verzekerde gebaseerd blijven op de bepalingen van de ZW. De polisvoorwaarden (voor de verzekerde) zijn derhalve volledig gewaarborgd.

4.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4150) is volgens de wettekst, zoals die tot 1 januari 2018 luidde, pas sprake van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW als door het gedrag van de verzekerde de daar genoemde fondsen of kas worden, of zouden kunnen worden, benadeeld. Hieruit volgt dat het Uwv alleen bevoegd is een maatregel op te leggen op grond van deze bepaling als genoemde fondsen of kas worden benadeeld of zouden kunnen worden benadeeld.

4.3.

Als gevolg van zijn ontslag heeft betrokkene per 15 juli 2015 op grond van artikel 29, eerste lid en onder a, van de ZW aanspraak op uitkering van ziekengeld. Appellante is als eigenrisicodrager gehouden de betaling van het ziekengeld van het Uwv over te nemen. Dat deze betaling door appellante namens het Uwv wordt verricht, maakt niet dat de kosten ten laste komen van de ten tijde in geding in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW genoemde fondsen of kas. De kosten komen immers voor rekening van appellante, zodat van benadeling van de fondsen of kas geen sprake is. Ook in de omstandigheid dat betrokkene het Uwv kan aanspreken tot betaling over te gaan als de eigenrisicodrager dat niet doet of daartoe niet in staat is, wordt geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Zoals het Uwv terecht heeft gesteld, zal door het Uwv voorgeschoten ziekengeld worden verhaald op de eigenrisicodrager en onverhaalde ZW-uitkeringen worden gefinancierd vanuit het Arbeidsongeschiktheidsfonds, dat niet wordt genoemd in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Dit betekent dat ook in zoverre geen sprake is van benadeling van de ten tijde in geding in artikel 45 eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW genoemde fondsen of kas. Het Uwv heeft dan ook terecht geweigerd betrokkene een maatregel op te leggen omdat artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW daar ten tijde in geding geen grondslag voor bood.

4.4.

De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en F.M. Rijnbeek als leden, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) A.M.M. Chevalier